Lancia YPSILON 2009 Bruksanvisning

Lancia Personbil YPSILON 2009

Läs nedan 📖 manual på svenska för Lancia YPSILON 2009 (226 sidor) i kategorin Personbil. Denna guide var användbar för 4 personer och betygsatt med 4.5 stjärnor i genomsnitt av 2 användare

Sida 1/226
603.81.117 NL
Instructieboek
Geachte cliënt,
Wij feliciteren u met uw aankoop en bedanken u dat u voor een LANCIA hebt gekozen.
Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van deze auto volledig te laten benutten.
Wij raden u aan alle hoofdstukken door te lezen voordat u voor de eerste keer met de auto gaat rijden.
Dit instructieboekje bevat informatie, tips en aanwijzingen die u zullen helpen de technische kwaliteiten van uw
LANCIA volledig te benutten. U zult niet alleen de bijzondere eigenschappen ontdekken van uw LANCIA maar ook
belangrijke aanwijzingen vinden voor de verzorging, het onderhoud, de rijveiligheid en het geprogrammeerd onder-
houd.
Wij raden u aan om de aanwijzingen en tips bij de symbolen onder aan de pagina aandachtig te lezen:
veiligheid van de inzittenden;
conditie van de auto;
bescherming van het milieu.
In de de “Service- en garantiehandleiding” vindt u naast het schema voor het geprogrammeerd onderhoud:
– het garantiecertificaat en de bijbehorende voorwaarden
– een overzicht van de speciale aanvullende service voor de cliënten van LANCIA.
Wij zijn ervan overtuigd, dat u met behulp van dit instructieboekje spoedig met uw auto vertrouwd zult raken en dat
uw nieuwe auto en de ondersteuning van de LANCIA-organisatie u volledig tevreden zullen stellen.
Veel leesplezier en goede reis!
Hoewel in dit instructieboekje alle uitvoeringen van de LANCIA Ypsilon beschreven worden,
dient u zich aan de informatie te houden met betrekking tot de uitrusting,
de motoruitvoering en het model van de auto die u gekocht hebt.
VEILIG EN MILIEUBEWUST RIJDEN
Veiligheid en respect voor het milieu zijn de uitgangspunten geweest bij het ontwerpen van de LANCIA Ypsilon.
Dankzij deze opvatting kon de LANCIA Ypsilon strenge veiligheidstests het hoofd bieden en goed doorstaan.
De LANCIA Ypsilon voldoet aan de strengste eisen in zijn klasse. Bovendien is deze auto, naar alle waarschijnlijk-
heid, al voorbereid op de toekomstige normen.
Daarnaast is de LANCIA Ypsilon door het doorlopende onderzoek naar nieuwe en doeltreffende bijdragen aan het
behoud van het milieu, een auto die navolging verdient.
Alle uitvoeringen zijn uitgerust met emissiereductiesystemen die bijdragen aan de bescherming van het milieu, waar-
door de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen lager is dan de nu geldende normen.
Wij herinneren u er bovendien aan dat LANCIA hard heeft gewerkt een zeer ambitieus doel te bereiken: 100% recy-
cling . Als uw LANCIA Ypsilon buiten gebruik wordt gesteld, dan kan deze vrijwel geheel worden gerecycled, omdat
voldaan wordt aan de voorwaarden van het F.A.RE.-project. Dankzij dit project kunnen de LANCIA-dealers uw
voertuig milieuvriendelijk (en geheel volgens de wettelijke normen) buiten gebruik stellen, als u tot de aanschaf van
een nieuwe auto overgaat.
Voor het milieu heeft dat grote voordelen: niets gaat verloren, niets wordt gestort en er zijn minder nieuwe grond-
stoffen nodig.
BESCHERMING VAN HET MILIEU
Bij het ontwerp en de productie van de LANCIA Ypsilon is niet alleen rekening gehouden met traditionele aspecten,
zoals prestaties en veiligheid, maar is er ook veel aandacht besteed aan de groeiende milieuproblemen.
De materiaalkeuze en de technische systemen en speciale voorzieningen zijn het resultaat van inspanningen die er op
gericht zijn om de vervuiling van het milieu drastisch terug te dringen. Uw auto voldoet dan ook aan de strengste
internationale milieunormen.
GEBRUIK VAN MILIEUVRIENDELIJKE MATERIALEN
Geen enkel onderdeel van de LANCIA Ypsilon bevat asbest. De vulling van de stoelen en de airconditioning bevat-
ten geen CFK’s (chloorfluorkoolwaterstoffen), het gas dat waarschijnlijk de oorzaak is van het gat in de ozonlaag.
De kleurstoffen en de corrosiewerende behandeling van de bouten en moeren zijn niet schadelijk voor het milieu; ze
bevatten geen lucht- en bodemverontreinigend cadmium meer.
EMISSIEREDUCTIESYSTEMEN (benzinemotoren)
Driewegkatalysator
Het uitlaatsysteem is voorzien van een katalysator, die bestaat uit edelmetaallegeringen. De katalysator bevindt zich
in een roestvast stalen houder, die bestand is tegen hoge bedrijfstemperaturen.
De katalysator zet onverbrande koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden in het uitlaatgas om (ook al zijn
deze dankzij het elektronische motormanagementsysteem, slechts in kleine hoeveelheden aanwezig) in niet schade-
lijke stoffen.
Omdat tijdens de werking de katalysator zeer warm wordt, verdient het aanbeveling niet te parkeren boven brand-
bare materialen (papier, brandstof, gras, droge bladeren enz.).
Lambdasondes
De lambdasondes meten de hoeveelheid zuurstof in het uitlaatgas. De door de lambdasondes verzonden signalen wor-
den door de regeleenheid van het motormanagementsysteem gebruikt om het lucht/brandstofmengsel te regelen.
Benzinedamp-opvangsysteem
Het is onmogelijk, ook bij stilstaande motor, benzinedampen te voorkomen. Daarom “vangt” dit systeem de dam-
pen in een speciaal actieve-koolfilter.
Als de motor draait, dan worden deze dampen afgezogen en verbrand in de motor.
EMISSIEREDUCTIESYSTEMEN (Multijet-motor)
Oxidatiekatalysator
De katalysator zet schadelijke bestanddelen in het uitlaatgas (koolmonoxide, onverbrande koolwaterstoffen en roet-
deeltjes zijn de belangrijkste) om in onschadelijke stoffen, waarmee tevens de rook en de typische dieselgeur ver-
minderd worden.
De katalysator bestaat uit een roestvrijstalen huis, met daarin een honingraatvormig keramisch binnenwerk. Hierop
zit edelmetaal dat voor de katalytische reactie zorgt.
Uitlaatgasrecirculatie-systeem (E.G.R.)
Dit systeem zorgt voor recirculatie, oftewel hergebruik, van een deel van de uitlaatgassen. Het percentage dat gere-
circuleerd wordt, is afhankelijk van de bedrijfsomstandigheden van de motor.
Het systeem beperkt zonodig de uitstoot van stikstofoxiden.
ABSOLUUT LEZEN!
BRANDSTOF TANKEN
Benzinemotoren: tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON die
voldoet aan de Europese specificatie EN 228.
Multijet-motoren: tank uitsluitend diesel voor motorvoertuigen conform de Europese specificatie
EN590.
Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en het verval-
len van de garantie tot gevolg hebben.
MOTOR STARTEN
Benzinemotoren: controleer of de handrem is aangetrokken; zet de versnellingspook in vrij; trap het
koppelingspedaal volledig in, maar trap het gaspedaal niet in; draai vervolgens de start-/contactsleutel
in stand AVV en laat de sleutel los zodra de motor aanslaat.
Multijet-motoren: draai de start-/contactsleutel in stand MAR en wacht tot de waarschuwingslamp-
jes Yen mdoven; draai de start-/contactsleutel in stand AVV en laat de sleutel los zodra de motor
aanslaat.
PARKEREN BOVEN BRANDBARE MATERIALEN
Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de katalysator hoge temperaturen. Parkeer daarom niet
boven gras, droge bladeren, dennennaalden of ander brandbaar materiaal: brandgevaar.
K
BESCHERMING VAN HET MILIEU
De auto is uitgerust met een diagnosesysteem, dat continu controles uitvoert op de componenten die van
invloed zijn op de uitlaatgasemissie zodat overmatige vervuiling van het milieu wordt voorkomen.
U
ELEKTRISCHE APPARATUUR
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die stroom verbruiken (waardoor de accu
langzaam kan ontladen), wendt u dan tot de Lancia-dealer. Deze kan controleren of de elektrische
installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik.
CODE-card
Bewaar deze op een veilige plaats, maar niet in de auto. Wij raden u aan de elektronische code van de
CODE-card te noteren en altijd bij u te hebben, omdat deze onmisbaar is voor het uitvoeren van een
noodstart.
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD
Bedenk dat een goed onderhoud van de auto de beste manier is om de prestaties en de veiligheid van
de auto gedurende langere tijd te garanderen. Daarbij wordt ook het milieu ontzien en blijven de exploi-
tatiekosten laag.
IN HET INSTRUCTIEBOEKJE....
…vindt u informatie, tips en belangrijke waarschuwingen voor het juiste gebruik, veilig rijden en het
onderhoud van uw auto. Let vooral op de symbolen
"
(veiligheid van de inzittenden)
#
(bescherming
van het milieu)
â
(conditie van de auto).
7
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
DASHBOARD EN BEDIENING
DASHBOARD ................................................... 8
INSTRUMENTENPANEEL .............................. 9
SYMBOLEN ..................................................... 10
LANCIA CODE ................................................ 11
DE SLEUTELS ................................................ 12
START-/CONTACTSLOT ................................ 18
INSTRUMENTEN ............................................ 19
MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY ................... 21
ZITPLAATSEN ................................................ 35
HOOFDSTEUNEN ........................................... 38
STUURWIEL ................................................... 38
SPIEGELS ........................................................ 39
KLIMAATREGELING....................................... 41
VERWARMING EN VENTILATIE ................... 42
AIRCONDITIONING, HANDBEDIEND ............ 45
AIRCONDITIONING, AUTOMATISCH ............. 48
BUITENVERLICHTING .................................. 58
SENSOR AUTOMATISCHE KOPLAMPEN....... 60
RUITEN REINIGEN ......................................... 61
REGENSENSOR .............................................. 62
CRUISE-CONTROL ......................................... 64
PLAFONDVERLICHTING ............................... 66
BEDIENINGSORGANEN ................................. 66
INTERIEURUITRUSTING ................................ 68
OPENDAK......................................................... 70
PORTIEREN .................................................... 71
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING .................. 72
BAGAGERUIMTE ............................................ 73
MOTORKAP ..................................................... 77
ALLESDRAGERS ............................................ 78
KOPLAMPEN .................................................. 78
ABS .................................................................. 80
ESP-SYSTEEM ................................................. 81
ASR-SYSTEEM ................................................ 82
EOBD-SYSTEEM ............................................. 83
AUTORADIO .................................................... 84
BOSE HIFI-AUDIOSYSTEEM........................... 84
EXTRA ACCESSOIRES ................................... 85
ELEKTRISCHE STUURBEKRACHTIGING
“DUALDRIVE” ................................................ 86
PARKEERSENSOREN ..................................... 87
TANKEN MET DE LANCIA YPSILON ............ 88
BESCHERMING VAN HET MILIEU ................ 90
DASHBOARD
De aanwezigheid en de opstelling van de bedieningsknoppen, de instrumenten en de controlelampjes kunnen per uit-
voering verschillen.
1. Uitstroomopeningen aan zijkant - 2. Linker hendel: bediening buitenverlichting - 3. Airbag bestuurderszijde - 4.
Rechter hendel: bediening ruitenwissers voor/achter en tripcomputer - 5. Uitstroomopeningen in het midden - 6.
Autoradio (indien aanwezig) / Opbergvakje - 7. Instrumentenpaneel - 8. Airbag passagierszijde - 9. Schakelaar voor
uitschakeling airbag voor aan passagierszijde - 10. Dashboardkastje - 11. Bedieningsknoppen verwarming, ventilatie
en airconditioning - 12. Versnellingspook - 13. Schakelaarpaneel - 14. Start-/contactslot - 15. Hendel stuurwielver-
stelling - 16. Hendel voor bediening cruise-control (indien aanwezig) - 17. Hendel motorkapontgrendeling.
8
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 1
L0C0001m
9
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
L0C0223m
L0C0224m
fig. 2
fig. 3
INSTRUMENTENPANEEL
ASnelheidsmeter
BBrandstofmeter met waarschuwingslampje
brandstofreserve
CToerenteller
DMultifunctioneel display
ASnelheidsmeter
BBrandstofmeter met waarschuwings-
lampje
brandstofreserve
CKoelvloeistoftemperatuurmeter met
waarschuwingslampje voor te
hoge koelvloeistoftemperatuur
DToerenteller
EMultifunctioneel display
SYMBOLEN
Op of in de nabijheid van enkele
onderdelen van uw auto zijn plaatjes
met een bepaalde kleur aange-
bracht, met daarop symbolen die uw
aandacht vragen en die voorzorgs-
maatregelen aangeven die u in acht
moet nemen als u met het betreffen-
de onderdeel te maken krijgt.
LANCIA CODE
Voor een nog betere bescherming
tegen diefstal is de auto uitgerust
met een elektronische startblokke-
ring. Het systeem schakelt auto-
matisch in als de start-/contactsleu-
tel wordt uitgenomen.
In iedere sleutel zit een elektronische
component gemonteerd die bij het
starten van de motor een signaal
ontvangt via een speciale antenne
die in het start-/contactslot is inge-
bouwd. Het signaal wordt bij het
starten omgezet in een gecodeerd
signaal en vervolgens aan de regel-
eenheid van de Lancia CODE gezon-
den, die, als de code wordt herkend,
het starten van de motor mogelijk
maakt.
10
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 4
L0C0004m
Onder de motorkap is een plaatje
aangebracht, waarop de betekenis
van de symbolen wordt verklaard
fig. 4.
Als bij het starten de code niet wordt
herkend, gaat op het instrumenten-
paneel het waarschuwingslampje
Ybranden.
In dat geval raden wij u aan de sleu-
tel in stand STOP en vervolgens in
stand MAR te draaien; als de motor
geblokkeerd blijft, probeer het dan
opnieuw met de andere geleverde
sleutels. Als de motor nog niet aan-
slaat, wendt u dan tot de Lancia-
dealer.
BELANGRIJK Elke sleutel heeft een
eigen code, die in de regeleenheid
van het systeem moet worden opge-
slagen. Voor het opslaan van nieuwe
sleutels (maximaal acht) moet u zich
tot de Lancia-dealer wenden.
Als het lampje Ytijdens het
rijden gaat branden
Als het lampje Ygaat branden,
betekent dit dat het systeem zich-
zelf controleert (bijv. bij een ver-
mindering van de spanning).
Als het lampje Yblijft branden,
wendt u dan tot de Lancia-dealer.
11
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
WERKING
Als u bij het starten van de motor de
sleutel in stand MAR draait, dan
stuurt het Lancia CODE-systeem
een code naar de regeleenheid van
de motor die, als de code wordt her-
kend, de blokkering van de functies
opheft.
De code wordt alleen verzonden als
de regeleenheid van het systeem de
door de sleutel verzonden code heeft
herkend.
Iedere keer als u de contactsleutel in
stand STOP zet, schakelt de Lancia
CODE de functies van de elektroni-
sche regeleenheid van de motor uit.
Houd voor het inklappen van de
metalen baard in de handgreep de
knop Bingedrukt en draai de baard
in de richting van de pijl tot de
baard vastklikt. Laat hierna de knop
Blos.
SLEUTEL MET AFSTANDSBE-
DIENING fig. 7
De sleutel heeft een metalen baard A
en dient voor:
het start-/contactslot;
de sloten van de portieren;
de sleutelschakelaar voor het uit-
schakelen van de airbag aan pas-
sagierszijde.
De knop Bdient voor het uitklappen
van de metalen baard.
Houd voor het inklappen van de
metalen baard in de handgreep de
knop Bingedrukt en draai de baard
in de richting van de pijl tot de
baard vastklikt. Laat hierna de knop
Blos.
Knop Ëdient voor het ontgrendelen
van de portieren en de achterklep.
Knop
Á
dient voor het vergrendelen
van de portieren en de achterklep.
Knop Rdient voor het op afstand
ontgrendelen van de achterklep.
Het lampje Cgaat branden als de
opdracht naar de ontvanger wordt
verzonden.
13
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 7
Druk de knop B alleen in
als de sleutel ver genoeg
van het lichaam (speciaal de
ogen) en van voorwerpen die snel
beschadigen (bijvoorbeeld kle-
dingstukken) is verwijderd. Laat
de sleutel nooit onbeheerd achter.
Hiermee voorkomt u dat iemand
(dit geldt in het bijzonder voor
kinderen) per ongeluk op de knop
drukt.
ATTENTIE
15
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Portieren en achterklep
vergrendelen
Druk kort op de knop
Á
: de portie-
ren en de achterklep worden op
afstand vergrendeld, de plafondver-
lichting dooft en de richtingaanwij-
zers knipperen één keer.
BELANGRIJK De frequentie van de
afstandsbediening kan worden
gestoord door krachtige radiosigna-
len van buiten de auto (bijv. van
mobiele telefoons, van radioama-
teurs enz.). Hierdoor kan de werking
van de afstandsbediening worden
beïnvloed.
Achterklep op afstand ontgrende-
len/openen
Druk de knop Rin om op afstand de
achterklep te ontgrendelen (openen).
Als de achterklep wordt ontgren-
deld, knipperen de richtingaanwij-
zers twee keer.
BELANGRIJK De frequentie van de
afstandsbediening kan worden
gestoord door krachtige radiosigna-
len van buiten de auto (bijv. van
mobiele telefoons, van radioama-
teurs enz.). Hierdoor kan de werking
van de afstandsbediening worden
beïnvloed.
fig. 8
Lampje op bestuurdersportier
fig. 8
Als de portieren worden vergrendeld,
gaat het afschriklampje Aongeveer 3
seconden branden en daarna knippe-
ren (bewakingsfunctie).
Als u de portieren wilt vergrendelen
en een of meer portieren of de ach-
terklep zijn niet goed gesloten, dan
gaan het lampje en de richtingaan-
wijzers snel knipperen en wordt de
vergrendeling niet uitgevoerd.
L0C0050m
16
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Batterij van de sleutel met
afstandsbediening vervangen fig. 9
Als u de knopjes van de afstandsbe-
diening indrukt en het lampje Fop
de sleutel knippert één keer kort,
dan moet de batterij worden vervan-
gen door een nieuw exemplaar dat
normaal in de handel verkrijgbaar
is.
Extra afstandsbedieningen
bestellen
Het systeem kan maximaal 8
afstandsbedieningen herkennen. Als
u in de loop der tijd een nieuwe
afstandsbediening nodig hebt, kunt
u zich tot een Lancia-dealer wenden.
Neem dan alle in uw bezit zijnde
sleutels, de CODE-card, een identi-
teitsbewijs en het kentekenbewijs
van de auto mee.
fig. 9
L0C0051m
Lege batterijen zijn
schadelijk voor het milieu.
Ze moeten in een daarvoor
bestemde chemobox of
afvalbak worden gedeponeerd. Ze
kunnen ook ingeleverd worden bij
de Lancia-dealer. Die zorgt ver-
volgens voor de afvoer.
Ga voor het vervangen van de batte-
rij als volgt te werk:
druk op de knop Aen klap de
metalen baard Buit;
draai de schroef Clos met een
kleine schroevendraaier;
trek de batterijhouder Dnaar bui-
ten en vervang de batterij E; let
daarbij goed op de polariteit;
plaats de batterijhouder Din de
sleutel en draai de schroef Cvast.
17
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Hieronder worden alle met de sleutel in te schakelen functies samengevat (met en zonder afstandsbediening):
Portieren ontgrendelen
Sleutel linksom
draaien
Sleutel linksom
draaien
Knop
Ëkort indrukken
2 x knipperen
Doven
bewakingslampje
Openen
achterklep
Knop
R
langer
dan 2 seconden indrukken
2 x knipperen
Bewakingslampje
Portieren vergrendelen
Sleutel
linksom draaien
Sleutel
linksom draaien
Knop
Ákort indrukken
1 x knipperen
3 Seconden continu
branden en vervolgens
knipperen bewakingslampje
Type sleutel
Mechanische sleutel
Sleutel met
afstandsbediening
Knipperen richtingaanwijzers
(alleen met sleutel met afstands-
bediening)
Lampje bestuurdersportier
18
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
START-/CONTACT-
SLOT
De sleutel kan in 3 standen worden
gedraaid:
STOP: motor uit, sleutel uitneem-
baar en stuur geblokkeerd. Enkele
elektrische installaties kunnen wer-
ken (bijv. autoradio, elektrische
ruitbediening enz.).
MAR: contact aan. Alle elektrische
installaties werken.
AVV: motor starten.
Het contactslot is voorzien van een
herstartbeveiliging. Als de motor bij de
eerste poging niet aanslaat, moet u de
sleutel terugdraaien in stand STOP en
nogmaals starten.
STUURSLOT
Inschakelen
Zet de sleutel in stand STOP, trek
de sleutel uit het start-/contactslot
en draai het stuur totdat het ver-
grendelt.
Uitschakelen
Draai het stuur iets heen en weer,
terwijl u de sleutel in stand MAR
draait.
fig. 12
L0C0054m
Als het start-/contactslot
is geforceerd (bijv. bij een
poging tot diefstal) moet u, voor-
dat u weer met de auto gaat rij-
den, de werking van het slot laten
controleren bij de Lancia-dealer.
ATTENTIE
Neem altijd de sleutel uit
het contactslot als de auto
wordt verlaten, om onvoorzichtig
gebruik van de bedieningsknop-
pen te voorkomen. Vergeet niet de
handrem aan te trekken. Schakel
de eerste versnelling in als de
auto op een helling omhoog staat
en de achteruit bij een helling
omlaag (gezien vanuit de rijrich-
ting). Laat kinderen nooit alleen
achter in de auto.
ATTENTIE
Verwijder de sleutel nooit
uit het contactslot als de
auto nog in beweging is. Bij de
eerste stuuruitslag blokkeert het
stuur automatisch. Dit geldt in
alle gevallen, ook als de auto
gesleept wordt.
ATTENTIE
20
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
KOELVLOEISTOFTEMPERA-
TUURMETER (indien aanwezig)
fig. 16
De wijzer geeft de temperatuur aan
van de motorkoelvloeistof, zodra de
koelvloeistoftemperatuur hoger
wordt dan ongeveer 50°C.
Bij normaal gebruik van de auto kan
de wijzernaald op verschillende
posities in het bereik staan, afhanke-
lijk van de gebruiksomstandigheden
van de auto.
SNELHEIDSMETER fig. 17
Geeft de snelheid van de auto aan.
fig. 17
L0C0190m
fig. 16
L0C0252m
Als het waarschuwingslampje
u
gaat branden en er verschijnt een
melding op het multifunctionele dis-
play, dan is de koelvloeistoftempera-
tuur te hoog; zet in dat geval de
motor uit en wendt u tot de Lancia-
dealer.
Als de wijzernaald in het
rode gebied komt, zet dan on-
middellijk de motor uit en
wendt u tot de Lancia-dealer.
21
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 20
L0C1158i
MULTIFUNCTIO-
NEEL DISPLAY
(indien aanwezig)
De auto kan zijn uitgerust met een
multifunctioneel display dat, afhan-
kelijk van de instelling, nuttige
informatie levert aan de gebruiker
tijdens de rit.
BEGINSCHERM fig. 20
Op het beginscherm kan het volgen-
de worden weergegeven:
ADatum
BSymbool voor kans op gladheid.
CBuitentemperatuur
DWeergave CITY-functie (indien
ingeschakeld)
ETijd (altijd weergegeven, ook bij
uitgenomen contactsleutel en
gesloten voorportieren)
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 21
Om in het scherm en de keuze-
mogelijkheden de volgende optie
te selecteren of de weergegeven
waarde te verhogen.
MODE Kort indrukken voor toe-
gang tot het menu en/of
naar het volgende scherm te
gaan of de keuze te bevesti-
gen.
Even ingedrukt houden om
terug te keren naar het
beginscherm.
Om in het scherm en de keuze-
mogelijkheden de voorgaande
optie te selecteren of de weerge-
geven waarde te verlagen.
OPMERKING Bij de knoppen en
hangt de werking van het volgende
af:
FAfstand tot volgende servicebeurt
GStand koplampverstelling (alleen
als het dimlicht is ingeschakeld).
HKilometerteller (weergave kilo-
meter-/mijltotaalteller)
OPMERKING Bij het openen van
een voorportier wordt het display
verlicht en wordt enkele seconden de
tijd en de kilometer-/mijltotaalteller
weergegeven.
fig. 21
L0C0225m
22
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
SETUP-MENU fig. 22
Het menu bestaat uit een aantal
functies dat “cyclisch” wordt weer-
gegeven. De functies kunnen met de
knoppen en worden gekozen,
waarna u keuzemogelijkheden kunt
selecteren of instellingen (setup)
kunt uitvoeren.
Het setup-menu kan worden geacti-
veerd door de knop MODE kort in te
drukken.
Door de knop of steeds in te
drukken, kunt u de lijst van het
setup-menu doorlopen.
De werking is afhankelijk van het
geselecteerde menupunt.
Weergave koplampafstelling (alleen
als het dimlicht is ingeschakeld).
– als het beginscherm wordt weerge-
geven, dan kunt u de hoogteverstel-
ling van de koplampen bedienen (zie
de paragraaf “Koplampen” in dit
hoofdstuk.
Setup-menu
– binnen het menu kunt u naar de
voorgaande of volgende optie in de
keuzelijst gaan;
– tijdens het instellen kunt u de
waarde verhogen of verlagen.
OPMERKING Als de auto is uitge-
rust met het Connect Nav+, kunt u
op het display van het instrumenten-
paneel uitsluitend de volgende func-
ties regelen/instellen: “Verl.”,
“Snelh.lim.”, “Sens. licht” (indien
aanwezig), “Buzz. gordels” en
“Airbag pass.”. De andere functies
worden weergegeven op het display
van het Connect Nav+, waarmee
deze functies ook kunnen worden
geregeld/ingesteld.
23
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Een menupunt selecteren
– als u de knop MODE kort indrukt,
kunt u in het menu de instelling
selecteren die u wilt wijzigen;
– met de knop of (door de knop
telkens in te drukken) kan de nieu-
we instelling worden geselecteerd;
– als u de knop MODE kort indrukt,
kunt u de instelling opslaan en tege-
lijkertijd terugkeren naar het eerder
geselecteerde menupunt.
Als u de knop MODE even ingedrukt
houdt:
– u verlaat het setup-menu en alleen
de al opgeslagen wijzigingen (beves-
tigd door het kort indrukken van de
knop MODE) worden bewaard.
Het setup-menu heeft een tijdrege-
ling; als het menu na een bepaalde
tijd verdwijnt, worden alleen de door
u opgeslagen wijzigingen (bevestigd
door het kort indrukken van de
knop MODE) bewaard.
“Datum” en
“Reg. Klok” selecteren:
– als u de knop MODE kort indrukt,
kunt u de instelling selecteren die u
wilt wijzigen (bijv. uren /minuten of
jaar /maand /dag);
– met de knop of (door de knop
telkens in te drukken) kan de nieu-
we instelling worden geselecteerd;
– als u de knop MODE kort indrukt,
kunt u de instelling opslaan en tege-
lijkertijd doorgaan naar het volgen-
de menupunt. Als dit menupunt het
laatste is, dan wordt teruggekeerd
naar het daarvoor geselecteerde
menupunt.
24
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Dag
Jaar Maand
Voorbeeld:
VERBRUIK
SERVICE
AIRBAG PASS.
MENU VERLATEN
SNELH. LIM.
VERL.
SENS. LICHT TRIPB
REG. KLOK
MOD. KLOK
INSTELLEN DATUM
ACHTERKLEP
ONAFH.
VERGR. PORT.
AFST. EENH.
VOL. TOETSEN
VOL. BUZZER
BUZZ. GORDELS (*) (indien aanwezig)
TAAL TEMP. EENH.
fig. 22
Voorbeeld:
MODE
kort indruk-
ken van de
knop
Om vanuit het beginscherm te kunnen navigeren, moet u kort
op de knop MODE drukken. Druk op de knop of om in het
menu te navigeren.
Opmerking Als de auto rijdt is om veiligheidsredenen alleen
een beperkt menu (instellingen “Verlichting” en
“Snelheidslimiet”) toegankelijk. Als de auto stilstaat is het uit-
gebreide menu toegankelijk. Bij uitvoeringen die zijn uitgerust
met het Connect Nav+ worden veel functies op het display van
het navigatiesysteem weergegeven.
L0C2169i
MODE
kort indruk-
ken van toets
Deutsch
English
Español
Italiano
Português
Français
(*) Functie wordt alleen weergegeven als
het SBR-systeem door de Lancia-dealer is
uitgeschakeld.
25
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Lichtsterkte interieur regelen
(Verl.) (alleen bij ingeschakelde
buitenverlichting)
Met deze functie kan - bij ingescha-
kelde buitenverlichting - de licht-
sterkte (op 8 niveaus) van het instru-
mentenpaneel, de bediening van de
autoradio en van de automatische
klimaatregeling (indien aanwezig)
worden geregeld.
Ga voor het regelen van de licht-
sterkte als volgt te werk:
– druk kort op de knop MODE; op
het display knippert het niveau van
de ingestelde gevoeligheid;
– druk op knop of om de licht-
sterkte in te stellen;
– druk kort op de knop MODE om
terug te keren naar het menuscherm
of houd de knop even ingedrukt om
terug te keren naar het beginscherm
zonder op te slaan.
Snelheidslimiet (Snelh. Lim.)
Met deze functie kan de snelheidsli-
miet van de auto (km/h of mph)
worden ingesteld. Als deze limiet
wordt overschreden, wordt de
bestuurder gewaarschuwd (zie
hoofdstuk “Lampjes en berichten”).
Ga voor het instellen van de snel-
heidslimiet als volgt te werk:
– druk kort op de knop MODE; op
het display verschijnt het opschrift
(Snelh. Lim.);
– druk op knop of om de snel-
heidslimiet in te schakelen (On) of
uit te schakelen (Off);
– als de functie al was ingeschakeld
(On), kan met de knop of de
gewenste snelheidslimiet worden
ingesteld en worden bevestigd door
het indrukken van de knop MODE;
Opmerking De waarde kan worden
ingesteld tussen 30 en 250 km/h of
tussen 20 en 155 mph, afhankelijk
van de ingestelde eenheid; zie de
paragraaf “Meeteenheid afstand” -
die hierna is beschreven. Elke keer
als u de knop / indrukt, wordt de
waarde 5 eenheden verhoogd of ver-
laagd. Als u de knop / ingedrukt
houdt, lopen de cijfers automatisch
snel door of terug. Als u dicht bij de
juiste waarde bent, stelt u de exacte
waarde in door de knop telkens in te
drukken en los te laten.
– druk kort op de knop MODE om
terug te keren naar het menuscherm
of houd de knop even ingedrukt om
terug te keren naar het beginscherm
zonder op te slaan.
Ga als volgt te werk als u de instel-
ling wilt annuleren:
– druk kort op de knop MODE; op
het display knippert (On);
– druk op de knop ; op het display
knippert (Off);
– druk kort op de knop MODE om
terug te keren naar het menuscherm
of houd de knop even ingedrukt om
terug te keren naar het beginscherm
zonder op te slaan.
Gevoeligheid schemersensor
instellen (Sens. licht)
(indien aanwezig)
Met deze functie kan de gevoeligheid
van de schemersensor worden inge-
steld op 3 niveaus (niveau 1 = mini-
mum niveau, niveau 2 = gemiddeld
niveau, niveau 3 = maximum
niveau); hoe hoger de gevoeligheid,
hoe minder buitenlicht er nodig is
om de verlichting in te schakelen. De
gevoeligheid is standaard ingesteld
op niveau “2”.Ga voor de gewenste
instelling als volgt te werk:
– druk kort op de knop MODE; op
het display knippert het niveau van
de ingestelde gevoeligheid;
– druk op de knop of om de
keuze uit te voeren;
– druk kort op de knop MODE om
terug te keren naar het menuscherm
of houd de knop even ingedrukt om
terug te keren naar het beginscherm
zonder op te slaan.
27
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
– druk op de knop of om de
instelling uit te voeren;
– druk kort op de knop MODE; op
het display knippert de “dag”;
– druk op de knop of om de
instelling uit te voeren.
OPMERKING Elke keer als u de
knop of indrukt, wordt de waar-
de een eenheid verhoogd of ver-
laagd. Als u de knop ingedrukt
houdt, lopen de cijfers automatisch
snel door of terug. Als u dicht bij de
juiste waarde bent, stelt u de exacte
waarde in door de knop telkens in te
drukken en los te laten.
– druk kort op de knop MODE om
terug te keren naar het menuscherm
of houd de knop even ingedrukt om
terug te keren naar het beginscherm
zonder op te slaan.
Onafhankelijke achterklepont-
grendeling
(Achterklep Onafh.)
Als de functie is ingeschakeld (On),
wordt als het commando voor ont-
grendeling van de portieren wordt
gegeven, de achterklep niet ontgren-
deld: de achterklep kan ontgrendeld
worden door knop Rop de sleutel
met afstandsbediening in te drukken.
Uitschakelen (Off): de achterklep
wordt gelijktijdig met de portieren
ontgrendeld.
Ga voor het inschakelen (On) of uit-
schakelen (Off) van deze functie als
volgt te werk:
– druk kort op de knop MODE; op
het display knippert (On) of (Off),
afhankelijk van de instelling;
– druk op de knop of om de
keuze uit te voeren;
– druk kort op de knop MODE om
terug te keren naar het menuscherm
of houd de knop even ingedrukt om
terug te keren naar het beginscherm
zonder op te slaan.
Centrale portiervergrendeling bij
rijdende auto (Vergr. deuren)
Als deze functie is ingeschakeld
(On), worden de portieren automa-
tisch vergrendeld als de auto sneller
rijdt dan 20 km/h.
Ga voor het inschakelen (On) of uit-
schakelen (Off) van deze functie als
volgt te werk:
– druk kort op de knop MODE; op
het display knippert (On) of (Off),
afhankelijk van de instelling;
– druk op de knop of om de
keuze uit te voeren;
– druk kort op de knop MODE om
terug te keren naar het menuscherm
of houd de knop even ingedrukt om
terug te keren naar het beginscherm
zonder op te slaan.
Meeteenheid “afstand”
(Afst. Eenh.)
Met deze functie kan de meeteenheid
van de afstand (km of mijl) worden
ingesteld.
Ga voor het instellen van de gewens-
te meeteenheid als volgt te werk:
– druk kort op de knop MODE; op
het display knippert (km) of (mijl),
afhankelijk van de instelling;
– druk op de knop of om de
keuze uit te voeren;
– druk kort op de knop MODE om
terug te keren naar het menuscherm
of houd de knop even ingedrukt om
terug te keren naar het beginscherm
zonder op te slaan.
28
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Meeteenheid “verbruik”
(Verbruik)
Met deze functie kan de eenheid van
het brandstofverbruik worden inge-
steld (km/l, l/100km of mpg). Deze
eenheid is gekoppeld aan de geselec-
teerde eenheid voor de afstand (km
of mijl, zie de vorige paragraaf
“Meeteenheid afstand”).
Als de meeteenheid afstand is inge-
steld op “km”, kan de meeteenheid
verbruik worden ingesteld op
‘’km/l’’ of ‘’l/100 km’’.
Als de meeteenheid afstand is inge-
steld op “mijl”, geeft het display de
hoeveelheid verbruikte brandstof
aan in “mpg”.
Ga voor het instellen als volgt te
werk:
– druk kort op de knop MODE; op
het display knippert (km/l) of
(l/100km), afhankelijk van de
instelling;
– druk op de knop of om de
keuze uit te voeren;
– druk kort op de knop MODE om
terug te keren naar het menuscherm
of houd de knop even ingedrukt om
terug te keren naar het beginscherm
zonder op te slaan.
Meeteenheid “temperatuur”
(Temp. Eenh.)
Met deze functie kan de meeteenheid
van de temperatuur (°C of °F) wor-
den ingesteld.
Ga voor het instellen van de gewens-
te meeteenheid als volgt te werk:
– druk kort op de knop MODE; op
het display knippert (°C) of (°F),
afhankelijk van de instelling;
– druk op de knop of om de
keuze uit te voeren;
– druk kort op de knop MODE om
terug te keren naar het menuscherm
of houd de knop even ingedrukt om
terug te keren naar het beginscherm
zonder op te slaan.
Taal instellen (Taal)
U kunt de taal van het display
instellen: Italiaans, Duits, Engels,
Spaans, Frans en Portugees.
Ga om de gewenste taal in te stellen
als volgt te werk:
– druk kort op de knop MODE; op
het display knippert de ingestelde
“taal”;
– druk op de knop of om de
keuze uit te voeren;
– druk kort op de knop MODE om
terug te keren naar het menuscherm
of houd de knop even ingedrukt om
terug te keren naar het beginscherm
zonder op te slaan.
Volumeregeling waarschuwings-
zoemer (Vol. Buzzer)
Het volume van het akoestische sig-
naal (buzzer) dat klinkt als er een
storing of waarschuwing wordt
weergegeven, kan ingesteld worden
op 8 niveaus.
Ga voor het instellen van het
gewenste volume als volgt te werk:
– druk kort op de knop MODE; op
het display knippert het “niveau”
van het ingestelde volume;
– druk op de knop of om de
instelling uit te voeren;
– druk kort op de knop MODE om
terug te keren naar het menuscherm
of houd de knop even ingedrukt om
29
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
terug te keren naar het beginscherm
zonder op te slaan.
Volumeregeling knoppen
(Vol. toetsen)
Het akoestische signaal, dat klinkt
bij het indrukken van de knoppen
MODE, of , kan worden ingesteld
op 8 niveaus.
Ga voor het instellen van het
gewenste volume als volgt te werk:
– druk kort op de knop MODE; op
het display knippert het “niveau”
van het ingestelde volume;
– druk op de knop of om de
instelling uit te voeren;
– druk kort op de knop MODE om
terug te keren naar het menuscherm
of houd de knop even ingedrukt om
terug te keren naar het beginscherm
zonder op te slaan.
Herinschakeling buzzer voor
melding SBR-systeem
(Buzz. gordels) (indien aanwezig)
De functie wordt alleen weergegeven
als het SBR-systeem door de Lancia-
dealer is uitgeschakeld (zie de para-
graaf “SBR-systeem” in het hoofd-
stuk “Veiligheid”).
Geprogrammeerd onderhoud
(Service)
Met deze functie kan worden weer-
gegeven hoeveel kilometers of dagen
nog resteren voordat een service-
beurt moet worden uitgevoerd.
Ga voor het raadplegen van deze
aanwijzingen als volgt te werk:
– druk kort op de knop MODE; op
het display knippert de afstand in
km of mijl, afhankelijk van de
instelling (zie de paragraaf
“Meeteenheid afstand”);
– druk op de knop of voor weer-
gave van het interval in dagen;
– druk kort op de knop MODE om
terug te keren naar het menuscherm
of houd de knop even ingedrukt om
terug te keren naar het beginscherm.
OPMERKING Het “Onderhouds-
schema” voorziet elke 30.000 km
(of het equivalent in mijl) of ieder
jaar in een servicebeurt; deze weer-
gave verschijnt automatisch als de
sleutel in stand MAR staat, vanaf
2.000 km (of het equivalent in mijl)
of 30 dagen voor de servicebeurt. De
weergave wordt elke 200 km (of het
equivalent in mijl) of om de drie
dagen weergegeven. Onder de 200
km wordt de weergave met kleinere
intervallen weergegeven. Zie voor
het vervangen van het luchtfilter, de
motorolie en het motoroliefilter bij de
1.3 Multijet-uitvoeringen het
“Onderhoudsschema” in het hoofd-
stuk “Onderhoud en zorg”. De weer-
gave is afhankelijk van de ingestelde
meeteenheid in km of mijl. Als u
dicht bij de volgende servicebeurt
bent en u de contactsleutel in stand
MAR draait, verschijnt op het display
het opschrift “Service” gevolgd door
het aantal kilometers/mijlen of dagen
dat resteert tot de volgende service-
beurt. De informatie van het
“Geprogrammeerd onderhoud”
wordt aangegeven in kilometers (km)
of mijlen (mijl) of dagen (dd), afhan-
kelijk van de eerstvolgende service-
beurt. Wendt u tot de Lancia-dealer
voor het uitvoeren van de werkzaam-
heden van het “Onderhoudsschema”
of van het “Jaarlijks inspectiesche-
ma”, en voor het op nul zetten van
deze weergave (reset).
30
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Inschakeling/Uitschakeling
van de frontairbag aan passa-
gierszijde en de zij-airbag voor
de bescherming van borstkas/
bekken (sidebag)(indien
aanwezig) (Airbag pass.)
Met deze functie kan de airbag aan
passagierszijde worden in- en uitge-
schakeld.
Ga als volgt te werk:
druk op de knop MODE en druk,
nadat op het display het bericht
(Airbag pass. Off) (voor uitscha-
keling) of het bericht (Airbag
pass. On) (voor inschakeling) is
verschenen door het indrukken
van de knop of , opnieuw op de
knop MODE;
op het display verschijnt het
bericht om de instelling te bevesti-
gen;
selecteer door het indrukken van
de knop of (Ja) (voor bevesti-
ging van de inschakeling/uitscha-
keling) of (Nee) (om te annule-
ren);
druk kort op de knop MODE; er
verschijnt een bevestiging van de
gekozen instelling en er wordt
teruggekeerd naar het menu-
scherm of, wanneer de knop even
ingedrukt wordt gehouden, naar
het beginscherm zonder op te
slaan.
MODE
MODE
MODE
L0C2170i
L0C2171i
L0C2172i
L0C2173i
L0C2174i
L0C2175i
L0C2175i
L0C2177i
L0C2178i
31
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Menu verlaten
Laatste functie waarmee de instel-
lingen uit het menuscherm worden
afgesloten.
Druk kort op de knop MODE om
terug te keren naar het beginscherm
zonder op te slaan.
Als u de knop indrukt, wordt
teruggekeerd naar het eerste menu-
punt (Snelh. Lim).
Beide functies kunnen op nul wor-
den gezet (reset - begin van een
nieuwe rit).
“General Trip” geeft informatie
over:
– Autonomie (actieradius)
– Afgelegde afstand
– Gemiddeld verbruik
– Huidig verbruik
– Gemiddelde snelheid
– Reistijd.
“Trip B” geeft informatie over:
– Afgelegde afstand B
– Gemiddeld verbruik B
– Gemiddelde snelheid B
– Reistijd B.
OPMERKING De functie “Trip B”
kan worden uitgeschakeld (zie de
paragraaf “Trip B”). De gegevens
“Autonomie” en “Huidig verbruik”
kunnen niet op nul worden gezet.
TRIP COMPUTER
(indien aanwezig)
Algemene aanwijzingen
Met de “Trip computer” kan, als de
contactsleutel in stand MAR staat,
op het display informatie worden
weergegeven over de werking van de
auto. Deze functie bestaat uit
“General trip”, dat betrekking heeft
op de hele rit van de auto, en “Trip
B”, dat betrekking heeft op een deel-
traject. Deze laatste functie vormt
een onderdeel (zoals is afgebeeld in
fig. 24) van het totale traject van de
auto.
33
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
BELANGRIJK Als er geen informa-
tie is, verschijnt bij alle functies op
de Trip computer de aanduiding
“- - - -” in plaats van de waarde.
Wanneer de normale werking weer
hersteld is, worden de waarden van
de gegevens weer op normale wijze
weergegeven. De waarden die voor
de storing werden weergegeven,
worden niet op nul gezet en er wordt
geen nieuwe rit begonnen.
Bedieningsknop TRIP
fig. 23
Met de knop TRIP, aan het uiteinde
van de rechter hendel, krijgt u, als
de contactsleutel in stand MAR
staat, toegang tot de hiervoor
beschreven gegevens en kunnen de
gegevens op nul worden gezet om
een nieuwe rit te beginnen:
– kort indrukken voor weergave van
de verschillende gegevens
– even ingedrukt houden voor het op
nul zetten (reset) en het beginnen
van een nieuwe rit.
Nieuwe rit
Begint als een reset is uitgevoerd:
– “handmatig” door de gebruiker
d.m.v. het indrukken van de
betreffende knop;
– “automatisch” wanneer de “afge-
legde afstand” de waarde 9.999,9
km bereikt of wanneer de “reistijd”
de waarde 99.59:59 (99 uur en 59
minuten) bereikt;
– iedere keer als de accu losgekop-
peld is geweest.
BELANGRIJK Als u het systeem op
nul zet terwijl het scherm van
“General trip” wordt weergegeven,
dan worden ook de gegevens van
“Trip B” op nul gezet, terwijl bij het
op nul zetten van “Trip B ” alleen de
gegevens van “Trip B” op nul wor-
den gezet.
fig. 23
L0C0027m
34
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Procedure voor het begin van een rit
Voor het op nul zetten (reset) moet u, met de sleutel in stand MAR, langer dan 2 seconden op de knop TRIP druk-
ken.
TRIP verlaten
De functie TRIP wordt automatisch verlaten, nadat alle grootheden zijn weergegeven of als knop MODE langer dan
2 seconden is ingedrukt.
Reset TRIP B
Einde deeltraject
Begin nieuw deeltraject Einde deeltraject
Begin nieuw
deeltraject Reset TRIP B
Einde deeltraject
Begin nieuw
deeltraject
Reset GENERAL TRIP
Einde rit
Begin nieuwe rit
Reset GENERAL TRIP
Einde rit
Begin nieuwe rit
Einde deeltraject
Begin nieuw
deeltraject
Reset TRIP B
Reset TRIP B
TRIP B
TRIP B
TRIP B
GENERAL TRIP
˙
˙
˙
˙
˙
˙
˙
˙
fig. 24
VERSCHUIFBARE ACHTER-
BANK (indien aanwezig)
fig. 27-28
Afstelling vanuit het interieur
Verstellen in lengterichting
Trek de hendel Aomhoog, pak het
middengedeelte vast en schuif de
achterbank voor- of achteruit.
Rugleuning verstellen
Bij achterbank met ondeelbare rug-
leuning:
trek hendel Bomhoog en zet
gelijktijdig met de andere hand de
rugleuning in de gewenste stand.
36
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 27 - Uitvoeringen met
ondeelbare achterbank
L0C0191m
Laat de hendel los en con-
troleer of de stoel goed
geblokkeerd is door deze naar
voren en naar achteren te schui-
ven. Als de zitplaats niet goed
geblokkeerd is, kan deze onver-
wachts verschuiven, waardoor u
de controle over de auto kunt ver-
liezen.
ATTENTIE
Voor maximale veiligheid
moet u de rugleuning
rechtop zetten, tegen de leuning aan
gaan zitten en de gordel goed laten
aansluiten op borst en bekken.
ATTENTIE
Verstellen van de rugleuning
fig. 26
Draai de knop D.
Lendensteunverstelling
(indien aanwezig) fig. 26
Draai de knop Eom het steunvlak
van de rugleuning aan te passen.
fig. 26
L0C0030m
Alle afstellingen mogen
uitsluitend bij een stil-
staande auto worden uitgevoerd.
ATTENTIE
fig. 29
L0C0181m
Verstellen vanuit de bagage-
ruimte fig. 29
Verstellen in lengterichting
Trek de lip in het midden Aomhoog
en schuif de achterbank voor- of
achteruit. Haak na de afstelling de
lip aan het klittenband op de rugleu-
ning van de bank.
Rugleuning verstellen / neerklappen
Trek aan de lippen aan de zijkant B
zoals beschreven in de paragraaf
“Bagageruimte vergroten” in dit
hoofdstuk.
Controleer na de afstelling of de lip-
pen uit de groeven in de kunststof
kappen steken.
Bij achterbank met deelbare rugleu-
ning:
trek hendel Bof Comhoog om
respectievelijk het rechter of het
linker deel van de rugleuning te
verstellen.
37
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 28 - Uitvoering met in delen
neerklapbare achterbank
L0C0192m
Verstel de zitplaatsen
alleen als de auto stil-
staat.
ATTENTIE
De stand waarbij de rug-
leuning volledig is neer-
geklapt, mag uitsluitend bij een
stilstaande auto en volledig naar
voren geschoven zitplaats worden
gebruikt.
ATTENTIE
Laat de hendel los en con-
troleer of de zitplaats
goed geblokkeerd is door deze
naar voren en naar achteren te
schuiven. Als de zitplaats niet
goed geblokkeerd is, kan deze
onverwachts verschuiven.
ATTENTIE
STUURWIEL
Het stuurwiel kan zowel in lengte-
richting als in hoogte worden ver-
steld.
Ga voor het instellen als volgt te
werk fig. 32:
ontgrendel de hendel door hem
naar het stuur te trekken (stand 2);
plaats het stuur in de gewenste
stand;
vergrendel de hendel door deze
naar voren te drukken (stand 1).
HOOFDSTEUNEN
VOOR fig. 30
Druk voor de hoogteverstelling op
knop Aen verplaats de hoofdsteun
omhoog of omlaag totdat hij hoor-
baar vergrendelt. Controleer na het
loslaten van de knop of de hoofd-
steun vergrendeld is.
steunen indrukken en de hoofdsteu-
nen uittrekken.
De auto kan zijn uitgerust met 3
hoofdsteunen achter bij een achter-
bank met drie zitplaatsen en met
twee hoofdsteunen bij een achter-
bank met 2 zitplaatsen.
BELANGRIJK Als de zitplaatsen
achter gebruikt worden, moeten de
hoofdsteunen altijd volledig zijn uit-
getrokken.
38
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 30
L0C0031m
fig. 31
L0C0057m
De hoofdsteunen moeten
zo worden ingesteld dat
ze het hoofd ondersteunen en niet
de nek. Alleen in deze positie bie-
den de steunen bescherming.
ATTENTIE
Voor een optimale
bescherming moet de rug-
leuning zo zijn ingesteld dat u
rechtop zit en dat uw hoofd zich
zo dicht mogelijk bij de hoofd-
steun bevindt.
ATTENTIE
Het is streng verboden om
de-/montagewerkzaam-
heden uit te voeren, waarvoor
wijzigingen in de stuurinrichting
of de stuurkolom vereist zijn
(bijv. bij montage van een dief-
stalbeveiliging). Hierdoor kunnen
de prestaties van het systeem, de
garantie en de veiligheid in
gevaar worden gebracht en vol-
doet de auto niet meer aan de
typegoedkeuring.
ATTENTIE
ACHTER (indien aanwezig)
fig. 31
Alleen aanwezig op bepaalde uitvoe-
ringen.
Om de hoofdsteunen achter te ver-
wijderen, moet u gelijktijdig de
knoppen Aaan de kant van de twee
fig. 34
L0C0170m
SPIEGELS
BINNENSPIEGEL fig. 33
De binnenspiegel is voorzien van een
beveiligingsmechanisme, waardoor
de spiegel bij een krachtig contact
met een inzittende losschiet.
Met het hendeltje Akan de spiegel in
twee standen worden gezet: normale
of anti-verblindingsstand.
BUITENSPIEGELS fig. 34
Handmatige verstelling
Bedien in de auto hendel Aom de
spiegel af te stellen.
39
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 32
L0C0008m
fig. 33
L0C0014m
Het stuur mag alleen
worden versteld als de
auto stilstaat en de motor is uit-
gezet.
ATTENTIE
Elektrische verstelling
(indien aanwezig) fig. 35
De elektrische verstelling is alleen
mogelijk als de contactsleutel in
stand MAR staat.
Inklappen fig. 36
De spiegel kan (bijv. bij nauwe door-
gangen) van stand Ain stand Bwor-
den geklapt.
40
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 36
L0C0058m
fig. 35
L0C0009m
Tijdens het rijden moeten
de spiegels altijd in stand
A staan.
ATTENTIE
De spiegel aan bestuur-
derszijde is bol, waar-
door de afstandswaarneming
enigszins wordt beïnvloed.
ATTENTIE
Ga voor het verstellen als volgt te
werk:
met schakelaar Akiest u welke
spiegel (links of rechts) u wilt ver-
stellen (op de uitvoeringen met
elektrische ruitbediening keert de
schakelaar automatisch weer
terug in de oorspronkelijke posi-
tie);
met de schakelaar Bkunt de spie-
gel in 4 richtingen verstellen.
Stel de spiegels af als de auto stilstaat
en de handrem is aangetrokken.
fig. 37
L0C0210m
KLIMAATREGELING
41
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
1 Vaste uitstroomopeningen voor ontwaseming/ontdooiing van de zijruiten - 2 Verstelbare luchtroosters aan de zij-
kant - 3 Vaste uitstroomopeningen voor ontwaseming/ontdooiing van de voorruit - 4 Verstelbare luchtroosters in het
midden - 5 Uitstroomopeningen onder
LUCHTROOSTERS IN HET
MIDDEN fig. 38
ARegelschuif voor openen/sluiten
van de uitstroomopening en het
richten (verticaal) van de lucht-
stroom
BRegelschuif voor het zijdelings
richten van de luchtstroom.
LUCHTROOSTERS AAN DE
ZIJKANT fig. 39
AVaste uitstroomopening voor
ontwaseming/ontdooiing van de
zijruiten
BRegelschuif voor openen/sluiten
van de uitstroomopening en het
richten (verticaal) van de lucht-
stroom
CRegelschuif voor het zijdelings
richten van de luchtstroom.
VERWARMING EN
VENTILATIE
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 40
A: knop voor inschakelen aanjager
B: draaiknop voor regeling lucht-
temperatuur (menging van
warme/koude lucht).
C: drukknop voor in-/uitschakelen
achterruitverwarming.
D: draaiknop voor instelling lucht-
verdeling
E: knop voor in-/uitschakeling
luchtrecirculatie.
KLIMAATREGELING
Met de draaiknop Dkan de lucht op
5 manieren over het hele interieur
worden verdeeld:
«
luchtstroom uit de luchtroosters
in het midden en de uitstroom-
openingen aan de zijkant;
voor verwarming van de
beenruimten, waarbij de
luchtstroom op het gelaat koel
blijft (“bilevel”-stand);
voor een snellere verwarming
van het interieur;
ƒ
voor verwarming van het interi-
eur en ontwaseming van de
voorruit;
42
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 39
L0C0000m
fig. 38
L0C0000m
fig. 40
L0C0127m
-
voor ontwaseming/ontdooiing
van de voorruit en de zijruiten
voor.
VERWARMING VAN HET
INTERIEUR
Ga als volgt te werk:
draai de knop Bgeheel naar
rechts (in het rode vlak);
draai de knop Aop de gewenste
snelheid;
draai de knop Din stand:
ƒ
voor verwarming van de
beenruimten en ontwase-
ming van de voorruit;
voor lucht naar de been-
ruimten en koelere lucht uit
de luchtroosters in het mid-
den en de uitstroomopenin-
gen op het dashboard;
voor een snelle verwarming.
SNELLE VERWARMING
Ga als volgt te werk:
sluit alle luchtroosters op het
dashboard;
draai de knop Bin het rode
gebied;
draai de knop Aop stand 4
-
;
draai de knop Dop stand
.
SNELLE ONTWASEMING/
ONTDOOIING VAN DE RUITEN
VOOR (VOORRUIT EN
ZIJRUITEN)
Ga als volgt te werk:
draai de knop Bin het rode
gebied;
draai de knop Aop stand 4
-
;
draai de knop Dop stand
-
;
schakel de luchtrecirculatie uit
door de knop Ein stand
Ú
te
zetten.
Nadat de ruiten ontwasemd zijn,
kan een stand gekozen worden
waarbij het comfort optimaal blijft.
43
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Beslaan van de ruiten voorkomen
Als het buiten extreem vochtig is
en/of bij regen en/of bij grote ver-
schillen in interieur- en buitentem-
peratuur, raden wij u de volgende
procedure aan om het beslaan van
de ruiten te voorkomen:
schakel de luchtrecirculatie uit
door de knop Ein stand
Ú
te
zetten;
draai de knop Bin het rode
gebied;
draai de knop Aop stand 2;
draai de knop Din stand
-
of
stand
ƒ
als de ruiten niet besla-
gen zijn.
ONTWASEMING/
ONTDOOIING ACHTERRUIT
(indien van toepassing)
Druk op de knop Com deze functie
in te schakelen: het lampje op de
knop gaat branden als deze functie
wordt ingeschakeld.
De functie is voorzien van een tijd-
schakeling, waardoor de functie na
30 minuten automatisch wordt uit-
geschakeld. U kunt de verwarming
eerder uitschakelen door nogmaals
de knop Cin te drukken.
BELANGRIJK Plak geen stickers of
andere plaatjes op de elektrische
weerstandsdraden aan de binnenzij-
de van de achterruit, om beschadi-
ging van de achterruitverwarming te
voorkomen.
REGELING AANJAGERSNEL-
HEID
Ga voor een goede ventilatie van het
interieur als volgt te werk:
open de luchtroosters in het mid-
den en aan de zijkant geheel;
draai de knop Bin het blauwe
gebied;
zet de knop Aop de gewenste
snelheid;
zet de knop Dop stand
«
;
schakel de luchtrecirculatie uit
door de knop Ein stand
Ú
te
zetten.
RECIRCULATIE INSCHAKELEN
Zet de knop Eop stand
.
Het verdient aanbeveling om de
luchtrecirculatie in te schakelen in
de file of in tunnels. Hiermee wordt
voorkomen dat vervuilde lucht het
interieur bereikt. Het is niet raad-
zaam dit systeem langdurig te laten
werken, omdat anders, vooral als u
met meerdere personen in de auto
zit, de kans aanzienlijk toeneemt dat
de ruiten beslaan.
BELANGRIJK Met de recirculatie-
functie kunnen, afhankelijk van de
werking van het systeem (“verwar-
ming” of “koeling”), de gewenste
omstandigheden sneller bereikt wor-
den. Het is echter niet raadzaam
deze functie in te schakelen op
regenachtige of koude dagen, omdat
dan de ruiten aan de binnenzijde
aanzienlijk sneller kunnen beslaan.
44
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
HANDBEDIENDE
AIRCONDITIONING
(indien aanwezig)
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 41
A: knop voor inschakelen aanjager;
B: draaiknop voor regeling lucht-
temperatuur (menging van
warme/koude lucht).
C: drukknop voor in-/uitschakelen
achterruitverwarming;
D: drukknop voor in-/uitschakelen
aircocompressor;
E: draaiknop voor instelling lucht-
verdeling;
F: knop voor in-/uitschakeling
luchtrecirculatie.
KLIMAATREGELING
Met de draaiknop Ekan de lucht op
5 manieren over het hele interieur
worden verdeeld:
«
luchtstroom uit de luchtroosters
in het midden en de uitstroom-
openingen aan de zijkant;
voor verwarming van de
beenruimten, waarbij de
luchtstroom op het gelaat koel
blijft (“bilevel”-stand);
voor een snellere verwarming
van het interieur;
ƒ
voor verwarming van het interi-
eur en ontwaseming van de
voorruit;
-
voor ontwaseming/ontdooiing
van de voorruit en de zijruiten
voor.
VERWARMING VAN HET
INTERIEUR
Ga als volgt te werk:
draai de knop Bgeheel naar
rechts (in het rode vlak);
draai de knop Aop de gewenste
snelheid;
draai de knop Eop stand:
ƒ
voor verwarming van de
beenruimten en ontwase-
ming van de voorruit;
voor lucht naar de been-
ruimten en koelere lucht uit
de luchtroosters in het mid-
den en de uitstroomopenin-
gen op het dashboard;
voor een snelle verwarming.
45
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 41
L0C0128m
SNELLE VERWARMING
Ga als volgt te werk:
sluit alle luchtroosters op het
dashboard;
draai de knop Bin het rode
gebied;
draai de knop Aop stand 4
-
;
draai de knop Eop stand
.
SNELLE ONTWASEMING/
ONTDOOIING VAN DE RUITEN
VOOR (VOORRUIT EN
ZIJRUITEN)
Ga als volgt te werk:
draai de knop Bin het rode
gebied;
draai de knop Aop stand 4
-
;
draai de knop Eop stand
-
;
schakel de luchtrecirculatie uit
door de knop Fin stand
Ú
te
zetten.
Nadat de ruiten ontwasemd zijn,
kan een stand gekozen worden
waarbij het comfort optimaal blijft.
Beslaan van de ruiten voorkomen
Als het buiten extreem vochtig is
en/of bij regen en/of bij grote ver-
schillen in interieur- en buitentem-
peratuur, raden wij u de volgende
procedure aan om het beslaan van
de ruiten te voorkomen:
schakel de luchtrecirculatie uit
door de knop Fin stand
Ú
te
zetten;
draai de knop Bin het rode
gebied;
draai de knop Aop stand 2;
draai de knop Ein stand
-
of
stand
ƒ
als de ruiten niet besla-
gen zijn.
BELANGRIJK De airconditioning is
zeer bruikbaar om het beslaan van
de ruiten te voorkomen: het is daar-
om voldoende om de bedienings-
knoppen op ontwasemen te zetten
zoals hiervoor beschreven is en de
airconditioning in te schakelen door
de knop Din te drukken.
ONTWASEMING/
ONTDOOIING ACHTERRUIT
Druk op de knop Com deze functie
in te schakelen: het lampje op de
knop gaat branden als deze functie
wordt ingeschakeld.
De functie is voorzien van een tijd-
schakeling, waardoor de functie na
30 minuten automatisch wordt uit-
geschakeld. U kunt de verwarming
eerder uitschakelen door nogmaals
de knop Cin te drukken.
BELANGRIJK Plak geen stickers of
andere plaatjes op de elektrische
weerstandsdraden aan de binnenzij-
de van de achterruit, om beschadi-
ging van de achterruitverwarming te
voorkomen.
46
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
REGELING AANJAGERSNEL-
HEID
Ga voor een goede ventilatie van het
interieur als volgt te werk:
open de luchtroosters in het mid-
den en aan de zijkant geheel;
draai de knop Bin het blauwe
gebied;
zet de knop Aop de gewenste
snelheid;
zet de knop Eop stand
«
;
schakel de luchtrecirculatie uit
door de knop Fin stand
Ú
te
zetten.
RECIRCULATIE INSCHAKELEN
Zet de knop Fop stand
.
Het verdient aanbeveling om de
luchtrecirculatie in te schakelen in
de file of in tunnels. Hiermee wordt
voorkomen dat vervuilde lucht het
interieur bereikt. Het is niet raad-
zaam dit systeem langdurig te laten
werken, omdat anders, vooral als u
met meerdere personen in de auto
zit, de kans aanzienlijk toeneemt dat
de ruiten beslaan.
BELANGRIJK Met de recirculatie-
functie kunnen, afhankelijk van de
werking van het systeem (“verwar-
ming” of “koeling”), de gewenste
omstandigheden sneller bereikt wor-
den. Het is echter niet raadzaam
deze functie in te schakelen op
regenachtige of koude dagen, omdat
dan de ruiten aan de binnenzijde
aanzienlijk sneller kunnen beslaan.
AIRCONDITIONING (koeling)
Ga als volgt te werk:
draai de knop Bin het blauwe
gebied;
draai de knop Aop de gewenste
snelheid;
zet de knop Eop stand
«
;
zet de knop Fop stand
;
druk op de knop D(het lampje op
de knop gaat branden).
Regeling van de koeling
Ga als volgt te werk:
schakel de luchtrecirculatie uit
door de knop Fin stand
Ú
te
zetten.
draai de knop Bnaar rechts voor
verhoging van de temperatuur;
draai de knop Anaar rechts voor
verlaging van de aanjagersnel-
heid.
ONDERHOUD VAN HET SYS-
TEEM
Schakel in de winter de airconditio-
ning 1 keer per maand gedurende 10
minuten in. Laat voor het zomersei-
zoen de werking van de airconditio-
ning door de Lancia-dealer controle-
ren.
47
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
ALGEMENE INFORMATIE
De automatische airconditioning
met gescheiden regeling regelt de
temperatuur en de luchtverdeling in
het interieur in twee zones: bestuur-
ders- en passagierszijde. De tempe-
ratuurregeling is gebaseerd op “tem-
peratuurgelijkheid”: d.w.z. dat het
systeem continu werkt om het com-
fort in het interieur constant te hou-
den en eventuele verschillen in de
weersomstandigheden buiten te
compenseren, ook zonnestraling
(gesignaleerd door een zonnestra-
lingssensor).
Het systeem kan zijn uitgerust met
een luchtkwaliteitsensor (Air
Quality System) die automatisch de
luchtrecirculatie kan inschakelen
om de onaangename effecten van
vervuilde lucht, tijdens het rijden in
de stad, in de file en in tunnels, te
verminderen, en een wasemsensor
die kan registreren wanneer de voor-
ruit beslaat en het systeem zo kan
instellen dat het zicht wordt her-
steld.
De automatisch gecontroleerde
parameters en functies zijn:
luchttemperatuur naar de uit-
stroomopeningen aan bestuur-
derszijde/passagierszijde voor;
luchtverdeling naar de uitstroom-
openingen aan bestuurderszijde/
passagierszijde voor;
aanjagersnelheid (traploze rege-
ling van de luchtstroom);
inschakeling van de compressor
(voor koelen en drogen van de
lucht);
luchtrecirculatie.
Deze functies kunnen handmatig
worden gewijzigd, d.w.z. dat u het
systeem kunt regelen door naar wens
een of meer functies te selecteren en
te wijzigen. Op deze manier worden
de functies die handmatig zijn gewij-
zigd niet langer automatisch door
het systeem geregeld. Het systeem
grijpt alleen in om veiligheidsrede-
nen (bijv. kans op beslaan).
De handmatige instellingen hebben
voorrang boven de automatische
instellingen en blijven in het geheu-
gen opgeslagen totdat de gebruiker
de regeling weer overlaat aan de
automatische werking, behalve in de
gevallen dat het systeem om veilig-
heidsredenen ingrijpt.
Als handmatig een functie wordt
ingesteld, blijven de andere functies
echter automatisch geregeld.
De luchtopbrengst in het interieur is
onafhankelijk van de snelheid van
de auto omdat de luchtopbrengst
elektronisch geregeld wordt door de
aanjager.
De luchttemperatuur in het interieur
wordt altijd automatisch geregeld op
basis van de ingestelde temperatu-
ren op de displays van de bestuurder
en de passagier voor (behalve als het
systeem is uitgeschakeld of in enkele
omstandigheden als de compressor
is uitgeschakeld).
De volgende parameters en functies
kunnen handmatig worden ingesteld
en gewijzigd:
temperatuur bestuurderszijde/pas-
sagierszijde voor;
aanjagersnelheid (traploze regeling);
luchtverdeling in vijf standen
(bestuurder/passagier voor);
inschakelen van de compressor;
niet gescheiden/gescheiden regeling;
snelle ontwaseming/ontdooiing;
luchtrecirculatie;
achterruitverwarming;
uitschakelen van het systeem.
48
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
KLIMAATREGELING, AUTOMATISCH (indien aanwezig)
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 44
A: drukknop voor inschakelen func-
tie MONO (gelijkstellen ingestel-
de temperaturen)
B: drukknop voor in-/uitschakelen
aircocompressor
C: drukknop voor in- en uitschake-
len luchtrecirculatie
D: display met informatie over de
airconditioning
E: drukknop voor uitschakelen air-
conditioning
F: drukknop voor inschakelen func-
tie MAX-DEF (snelle ontdooi-
ing/ontwaseming voorruit en zij-
ruiten voor)
G: drukknop voor in-/uitschakelen
achterruitverwarming
H: drukknop voor inschakelen func-
tie AUTO (automatische wer-
king) en draaiknop voor regelen
temperatuur aan passagierszijde
I: drukknop voor instellen lucht-
verdeling aan passagierszijde
L: verhogen/verlagen aanjagersnel-
heid
M: drukknop voor instellen lucht-
verdeling aan bestuurderszijde
N: drukknop voor inschakelen func-
tie AUTO (automatische wer-
king) en draaiknop voor regelen
temperatuur aan bestuurderszij-
de
49
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 44
L0C0226m
GEBRUIK VAN DE KLIMAAT-
REGELING
Het systeem kan op verschillende
manieren worden ingeschakeld,
maar wij raden u aan te beginnen
met het indrukken van een van de
knoppen AUTO en vervolgens de
draaiknoppen te draaien om op het
display de gewenste temperaturen in
te stellen.
Omdat het systeem het klimaat in
twee zones in het interieur regelt,
kunnen de bestuurder en de passa-
gier voor verschillende temperatuur-
waarden instellen. Het maximaal
toegestane verschil is 7 °C.
Op deze wijze werkt het systeem
geheel automatisch, zodat zo snel
mogelijk de ingestelde temperatuur
wordt bereikt. Het systeem regelt de
temperatuur, de luchthoeveelheid,
de luchtverdeling in het interieur, de
recirculatiefunctie en het inschake-
len van de aircocompressor.
Tijdens de volledig automatische
werking van het systeem, moeten
alleen de volgende functies eventueel
handmatig worden ingeschakeld:
MONO, om de ingestelde tempe-
ratuur en de luchtverdeling aan
bestuurders- en passagierszijde
voor gelijk te stellen;
, luchtrecirculatie, om de
recirculatie altijd in- of uitgescha-
keld te houden;
-
, voor een snelle ontwase-
ming/ontdooiing van de ruiten
voor, de achterruit en de buiten-
spiegels;
(
, voor het ontwasemen/ont-
dooien van de achterruit.
Tijdens de volledig automatische
werking van het systeem kunt u op
ieder moment de ingestelde tempe-
raturen, de luchtverdeling en de
aanjagersnelheid wijzigen m.b.v. de
desbetreffende knoppen: het sys-
teem zal automatisch de eigen instel-
lingen wijzigen en aanpassen aan de
nieuwe instellingen. Als tijdens de
volledige automatische werking
(FULL AUTO) de luchtverdeling
en/of de luchtopbrengst gewijzigd
worden en/of de inschakeling van de
compressor en/of de recirculatie,
dan verdwijnt het opschrift FULL.
Op deze manier worden de functies
niet langer automatisch geregeld
maar moeten met de hand worden
bediend, totdat u opnieuw de knop
AUTO indrukt. De aanjagersnelheid
is voor alle zones in het interieur
gelijk.
Als een of meer functies handmatig
zijn ingeschakeld, dan blijft de rege-
ling van de luchttemperatuur auto-
matisch plaatsvinden, behalve als de
compressor is uitgeschakeld: in dat
geval kan er geen lucht in het interi-
eur worden gevoerd waarvan de
temperatuur lager is dan de buiten-
temperatuur.
50
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
BEDIENINGSORGANEN
Draaiknoppen voor regeling
luchttemperatuur H - N
Als u de knoppen naar rechts of naar
links draait, verhoogt of verlaagt u de
luchttemperatuur respectievelijk in
het gedeelte linksvoor (draaiknop N)
en rechtsvoor (draaiknop H) van het
interieur.
Omdat het systeem het klimaat in
twee zones in het interieur regelt,
kunnen de bestuurder en de passagier
voor verschillende temperatuurwaar-
den instellen. Het maximaal toegesta-
ne verschil is 7 °C.
De ingestelde temperaturen worden
op het display weergegeven dicht bij
de knoppen.
Als u de knop A(MONO)) indrukt,
wordt de temperatuur aan bestuur-
ders- en passagierszijde voor automa-
tisch gelijkgesteld, waarna u de tem-
peratuur in de twee zones met de
draaiknop Naan bestuurderszijde
kunt regelen.
De gescheiden regeling van de tempe-
ratuur en de luchtverdeling wordt
automatisch weer hervat, als u de
draaiknop Hof Ndraait of nogmaals
op de knop A(MONO) drukt als het
lampje op de knop brandt.
Als u de knoppen helemaal naar
rechts of helemaal naar links draait,
tot aan de uiterste waarden HI of LO,
wordt respectievelijk de functie van
de maximale verwarming of de maxi-
male koeling ingeschakeld:
Functie HI (maximale verwar-
ming):
wordt ingeschakeld als de draaiknop
van de temperatuur naar rechts
wordt gedraaid, voorbij de maximale
waarde (32 °C). Deze functie kan
worden geactiveerd voor alleen de
bestuurderszijde of de passagierszijde
voor of voor beide zijden (ook door de
functie MONO te selecteren).
Deze functie kan worden ingescha-
keld als u het interieur zo snel moge-
lijk wilt verwarmen, waarbij maxi-
maal van het vermogen van het sys-
teem gebruik wordt gemaakt. Deze
functie maakt gebruik van de maxi-
male temperatuur van de motorkoel-
vloeistof, terwijl de luchtverdeling en
de snelheid van de aanjager door het
systeem worden ingesteld.
Als de motorkoelvloeistof niet warm
genoeg is, schakelt het systeem niet
onmiddellijk de maximale aanjager-
snelheid in, om de toevoer van te
koude lucht in het interieur te beper-
ken.
Als deze functie is ingeschakeld, zijn
alle handmatige instellingen toege-
staan.
Voor het uitschakelen van de functie
is het voldoende om de temperatuur-
knop naar links te draaien en de
gewenste temperatuur in te stellen.
Functie LO (maximale koeling):
wordt ingeschakeld als de draaiknop
van de temperatuur naar links wordt
gedraaid, voorbij de maximale waar-
de (16 °C). Deze functie kan worden
geactiveerd voor alleen de bestuur-
derszijde of de passagierszijde voor of
voor beide zijden (ook door de func-
tie MONO te selecteren).
Deze functie kan worden ingescha-
keld als u het interieur zo snel moge-
lijk wilt koelen, waarbij maximaal
van het vermogen van het systeem
gebruik wordt gemaakt. Deze functie
schakelt de luchtrecirculatie en de
aircocompressor in, terwijl de lucht-
verdeling en de snelheid van de aan-
jager worden ingesteld op basis van
de omgevingsomstandigheden. Als
deze functie is ingeschakeld, zijn alle
handmatige instellingen toegestaan.
Voor het uitschakelen van de functie
is het voldoende om de temperatuur-
knop naar rechts te draaien en de
gewenste temperatuur in te stellen.
51
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Drukknoppen voor de luchtver-
deling voor I-M
Als u op een van deze knoppen drukt,
kunt u handmatig voor de linker- en de
rechterzijde in het interieur een van de
vijf instellingen voor de luchtverdeling
kiezen:
Luchtstroom naar de uitstroom-
openingen van de voorruit en de
zijruiten voor voor ontdooiing/
ontwaseming van de ruiten.
˙Lucht uit de luchtroosters in het
midden en aan de zijkant van het
dashboard voor een koele lucht-
stroom op het lichaam en het ge-
zicht bij warm weer.
Lucht uit de uitstroomopeningen
van de beenruimten. Met deze
luchtverdeling kan in een zo kort
mogelijke tijd de lucht in het inte-
rieur worden verwarmd, omdat
warme lucht opstijgt. Dit geeft
snel een behaaglijk gevoel.
˙Lucht uit luchtroosters in de been-
ruimten voor en achter (warmere
lucht) en de luchtroosters in het
midden en aan de zijkant van het
dashboard (koelere lucht). Deze
luchtverdeling is bijzonder nuttig
in de gematigde seizoenen (voor-
en najaar) als de zon schijnt.
Lucht uit luchtroosters in de
beenruimten en de luchtroosters
voor ontwaseming/ontdooiing
van de voorruit en zijruiten
voor. Deze luchtverdeling zorgt
voor een goede verwarming van
het interieur en voorkomt het
eventuele beslaan van de ruiten.
De ingestelde luchtverdeling wordt
aangegeven door een brandend lamp-
je op de geselecteerde knoppen.
Als een gecombineerde functie is
ingesteld en er een knop wordt inge-
drukt, dan wordt ook de functie van
die knop ingeschakeld. Als daarente-
gen een knop van een reeds ingestel-
de functie wordt ingedrukt, dan
wordt die functie uitgeschakeld (het
betreffende lampje dooft).
Voor het hervatten van de automati-
sche werking van de luchtverdeling
na een handmatige instelling, moet
de knop AUTO worden ingedrukt.
Als de bestuurder kiest voor luchtver-
deling naar de voorruit, wordt ook de
luchtstroom aan passagierszijde auto-
matisch naar de voorruit geleid. De
passagier kan vervolgens een andere
luchtverdeling kiezen door de
betreffende knoppen in te drukken.
Drukknoppen voor regelen aan-
jagersnelheid L
Als u op de knop
p
drukt, wordt de
aanjagersnelheid respectievelijk ver-
hoogd of verlaagd en daarmee de
hoeveelheid lucht die in het interieur
wordt gevoerd om de gewenste tem-
peratuur te handhaven.
De aanjagersnelheid wordt weerge-
geven door verlichte staafjes op het
display
Maximum aanjagersnelheid = alle
staafjes verlicht
Minimum aanjagersnelheid = een
staafje verlicht
De aanjager kan worden uitgescha-
keld, maar alleen als u de aircocom-
pressor hebt uitgeschakeld met de
knop B.
BELANGRIJK Voor het hervatten
van de automatische werking van de
aanjager na een handmatige instel-
ling, moet de knop AUTO worden
ingedrukt.
52
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Drukknop voor in-/uitschakelen
luchtrecirculatie C (indien aan-
wezig)
De luchtrecirculatie werkt als volgt:
handmatig ingeschakeld (recircu-
latie altijd ingeschakeld); het
lampje op de knop Cen het sym-
bool
í
op het display branden;
geforceerde uitschakeling (recir-
culatie altijd uitgeschakeld met
luchttoevoer van buiten); lampje
op de knop en het symbool
ê
op
het display gedoofd.
Deze mogelijkheden kunnen worden
ingeschakeld door meerdere keren op
de recirculatieknop Cte drukken.
Als de recirculatie een lange tijd (meer
dan 15 minuten aaneengesloten) in-
geschakeld is geweest, wordt de recir-
culatie om veiligheidsredenen auto-
matisch uitgeschakeld om de lucht in
het interieur te verversen.
BELANGRIJK Met de recirculatie-
functie kunnen (verwarming of koe-
ling van het interieur) de gewenste
omstandigheden sneller bereikt wor-
den. Het is echter niet raadzaam deze
functie handmatig in te schakelen op
regenachtige of koude dagen, omdat
dan de ruiten aan de binnenzijde aan-
zienlijk sneller kunnen beslaan, vooral
als de airconditioning niet is inge-
schakeld.
Bij buitentemperaturen onder 5° -
7°C wordt de recirculatie uitgescha-
keld (met luchttoevoer van buiten)
om het beslaan van de ruiten te voor-
komen.
Als de handmatige werking van de re-
circulatie is ingesteld, dooft het op-
schrift FULL en verdwijnt AUTO van
het symbool op het display.
54
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Bij lage buitentemperatu-
ren raden wij u aan om de
recirculatiefunctie niet te gebrui-
ken omdat hierdoor de ruiten
sneller kunnen beslaan.
ATTENTIE
Als de functie voor snel
ontdooien/ontwasemen is ingescha-
keld, gaan het lampje op de
betreffende knop en het lampje op
de knop van de achterruitverwar-
ming branden. Bovendien dooft het
opschrift FULL AUTO op het dis-
play.
Als de functie voor maximaal ontwa-
semen/ontdooien is ingeschakeld,
kunnen alleen de aanjagersnelheid
en de uitschakeling van de achter-
ruitverwarming handmatig worden
geregeld.
Als u de knop voor maximale ont-
dooiing/ontwaseming indrukt, of de
knoppen voor de luchtrecirculatie of
de uitschakeling van de compressor
of de knop AUTO, schakelt het sys-
teem de functie maximaal ontdooi-
en/ontwasemen uit en worden alle
bedrijfsomstandigheden van voor
het inschakelen van de functie her-
steld.
Drukknop voor snelle ontwase-
ming/ontdooiing van de achter-
ruit G
Als u deze knop indrukt, dan wordt
de achterruitverwarming ingescha-
keld. Het lampje op de knop gaat
branden als deze functie wordt inge-
schakeld.
De functie schakelt na 30 minuten
automatisch uit, of als opnieuw de
knop wordt ingedrukt. De functie
wordt ook uitgeschakeld als u de
motor uitzet en blijft uitgeschakeld
als u de motor opnieuw start.
BELANGRIJK Plak geen stickers of
andere plaatjes op de elektrische
weerstandsdraden aan de binnenzij-
de van de achterruit, om beschadi-
ging van de achterruitverwarming te
voorkomen.
Systeem uitschakelen (OFF) E
Het systeem schakelt uit als u op de
knop OFF drukt.
Op het display verschijnt uitsluitend
het symbool
í
voor ingeschakelde
recirculatie.
Als het systeem is uitgeschakeld:
zijn alle lampjes gedoofd;
zijn de temperatuurdisplays
gedoofd;
is de recirculatie ingeschakeld,
waarbij geen lucht van buiten
binnenkomt;
is de aircocompressor uitgescha-
keld;
is de aanjager uitgeschakeld.
Ook als het systeem is uitgeschakeld,
kan de achterruitverwarming wor-
den in-/uitgeschakeld.
BELANGRIJK De regeleenheid van
de klimaatregeling slaat de instellin-
gen van het systeem in het geheugen
op voordat het systeem wordt uitge-
schakeld. Als u vervolgens op een
willekeurige knop drukt (behalve de
knop van de achterruitverwarming),
worden de functies weer hersteld.
Als de functie van de ingedrukte
knop niet was ingeschakeld voor de
uitschakeling, dan wordt deze func-
tie ook geactiveerd; als deze daaren-
tegen was ingeschakeld, blijft de
functie gehandhaafd.
Als u de volledig automatische wer-
king van het systeem weer wilt
inschakelen, druk dan op de knop
AUTO.
56
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Wasemsensor
(indien aanwezig)
Op de onderzijde van de binnenspie-
gel is een sensor gemonteerd die
registreert of de voorruit beslagen is
en zo nodig de regeling van het sys-
teem aanpast om een goed zicht te
garanderen.
Het systeem reageert zodra de voor-
ruit begint te beslaan bij bepaalde
buitentemperaturen en een bepaalde
luchtvochtigheid, en past de kli-
maatregeling aan zodat het zicht
behouden blijft.
Als de sensor vaststelt dat de voor-
ruit beslaat, dan worden de volgen-
de instellingen gekozen:
inschakeling van de compressor
(weergave van symbool
ò
op het
display en knop Bverlicht);
uitschakeling van de luchtrecircu-
latie (uitsluitend toevoer van bui-
tenlucht).
Als deze instellingen niet afdoende
zijn om het beslaan te verhelpen en
een veilige situatie te herstellen, dan
kiest het systeem de volgende instel-
lingen:
aanpassing van de luchtverdeling
om de luchttoevoer naar de voor-
ruit te vergroten;
verhoging van de luchtopbrengst.
De wasemsensor verhoogt de actieve
veiligheid omdat de meetresultaten
worden gebruikt zowel tijdens de
automatische werking als bij eventu-
ele handmatige aanpassingen in de
werking van de klimaatregeling.
Als instellingen, die het gevolg zijn
van metingen door de sensor, met de
hand worden gewijzigd, dan wordt
de sensor buiten werking gesteld,
totdat opnieuw op toets AUTO
wordt gedrukt of totdat de motor de
volgende keer wordt gestart.
Als de sensor aan de klimaatregeleen-
heid doorgeeft dat de normale zicht-
omstandigheden zijn hersteld, dan
kiest het systeem de instellingen die
waren ingesteld, voordat de sensor
een beslagen voorruit registreerde.
BELANGRIJK Als de wasemsensor
een beslagen voorruit registreert,
dan zijn de buitentemperatuur en de
luchtvochtigheid zodanig dat een
goed en veilig zicht in gevaar is; als
het systeem terugkeert naar de door
de bestuurder gekozen instellingen,
dan verdient het aanbeveling om de
aircocompressor ingeschakeld te
houden om te voorkomen dat de
voorruit opnieuw beslaat.
57
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Voor een goede werking
van de wasemsensor moet
de voorruit schoon zijn en mag het
meetbereik van de sensor achter
de binnenspiegel niet gehinderd
worden door stickers en soortge-
lijke voorwerpen.
ATTENTIE
BUITEN-
VERLICHTING
Met de linker hendel bedient u de
buitenverlichting.
De buitenverlichting werkt uitslui-
tend als de contactsleutel in stand
MAR staat.
VERLICHTING UIT fig. 45
Draaiknop in stand
å
.
BUITENVERLICHTING fig. 46
Draai de draaiknop in stand
6
.
Op het instrumentenpaneel gaat het
controlelampje
3
branden.
DIMLICHT fig. 47
Draai de draaiknop in stand
2
.
Op het instrumentenpaneel gaat het
controlelampje
2
branden.
GROOTLICHT fig. 48
Trek de hendel naar het stuurwiel
(vergrendelde stand), als de draai-
knop reeds in stand
2
staat.
Op het instrumentenpaneel gaat het
controlelampje
1
branden.
Als de hendel opnieuw naar het
stuurwiel wordt getrokken, dooft het
grootlicht en wordt het dimlicht
weer ingeschakeld.
58
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 45
L0C0062m
fig. 48
1
1
6
1
L0C0101m
fig. 47
L0C0063m
fig. 46
L0C0061m
fig. 49
L0C0064m
GROOTLICHTSIGNAAL fig. 49
Het grootlichtsignaal kan worden
gegeven door de hendel naar het
stuurwiel te trekken (onvergrendel-
de stand) ongeacht de stand van de
draaiknop. Op het instrumentenpa-
neel gaat het controlelampje
1
branden.
PARKEERVERLICHTING fig. 50
Draai de contactsleutel in stand
STOP of verwijder de sleutel en draai
de draaiknop in stand 6. Op het in-
strumentenpaneel gaat het controle-
lampje 3branden en de buitenver-
lichting en de kentekenplaatverlich-
ting worden ingeschakeld.
Als u de hendel omhoog plaatst
a
,
gaat alleen de buitenverlichting aan
de rechterzijde branden; als u de hen-
del omlaag plaatst
b
, gaat alleen de
verlichting aan de linkerzijde bran-
den. In beide gevallen gaat het lampje
3op het instrumentenpaneel bran-
den.
RICHTINGAANWIJZERS fig. 50
Zet de hendel in de vergrendelde
stand:
omhoog (stand 1): inschakeling
rechter richtingaanwijzer;
omlaag (stand 2): inschakeling
linker richtingaanwijzer.
Op het instrumentenpaneel knippert
het waarschuwingslampje
F
of
D
.
De richtingaanwijzers schakelen
automatisch uit als de auto weer
rechtuit rijdt.
Als u kort richting aan wilt geven,
voor het uitvoeren van een hande-
ling waarvoor het stuurwiel slechts
weinig hoeft te worden verdraaid,
dan drukt u de hendel iets omhoog
of omlaag zonder dat de hendel ver-
grendelt. Zodra u de hendel loslaat,
gaat deze automatisch terug.
“FOLLOW ME HOME” SYTEEM
fig. 51
Met dit systeem kan de ruimte voor
de auto een bepaalde tijd worden
verlicht.
Inschakelen
U schakelt deze functie in door de
contactsleutel in stand STOP te
draaien of uit te nemen en de linker
hendel binnen 2 minuten na het uit-
zetten van de motor naar het stuur
te trekken.
Telkens als u de hendel bedient,
blijft de verlichting 30 seconden lan-
ger branden, tot een maximum van
210 seconden; hierna schakelt de
verlichting automatisch uit.
59
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 50
L0C0065m
fig. 51
L0C0064m
Telkens als de hendel wordt bediend,
gaat het controlelampje 3op het in-
strumentenpaneel branden en ver-
schijnt er een bericht op het display
(zie het hoofdstuk “Lampjes en be-
richten”) met de tijd die de functie ac-
tief blijft. Het lampje gaat branden als
de hendel voor het eerst bediend
wordt en blijft branden totdat de
functie automatisch uitschakelt. Tel-
kens als de hendel wordt bediend,
wordt alleen de inschakeltijd van de
verlichting verlengd.
Uitschakelen
Houd de hendel langer dan 2 secon-
den naar het stuur getrokken.
SCHEMERSENSOR (automatisch
inschakelende koplampen)
(indien aanwezig) fig. 52
Deze sensor is in staat om de ver-
schillen in sterkte van het omge-
vingslicht waar te nemen op basis
van de ingestelde gevoeligheid: hoe
hoger de gevoeligheid, hoe minder
buitenlicht er nodig is om de verlich-
ting in te schakelen. De gevoeligheid
van de sensor kan worden ingesteld
via het “Setup-menu” van het dis-
play.
Inschakelen
Draai de draaiknop in stand 2
A
: op
deze manier gaan, afhankelijk van
de sterkte van het buitenlicht, de
buitenverlichting en de dimlichten
automatisch branden.
Als de schemersensor is ingescha-
keld, kan alleen het grootlichtsig-
naal worden gegeven.
Uitschakelen
Als via de sensor het commando
voor uitschakeling wordt gegeven,
wordt het dimlicht uitgeschakeld en
vervolgens, na ongeveer 10 secon-
den, de buitenverlichting.
De schemersensor is niet in staat om
mist te signaleren. Daarom moet bij
mist de verlichting handmatig wor-
den ingeschakeld.
60
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 52
L0C0185m
fig. 53
L0C0225m
RUITEN REINIGEN
RUITENWISSERS/
-SPROEIERS
Deze werken uitsluitend als de con-
tactsleutel in stand MAR staat.
De rechter hendel kan in vijf verschil-
lende standen worden gezet fig. 54:
A: ruitenwissers uitgeschakeld
B: wissen met interval.
Draai als de hendel in stand Bstaat,
de draaiknop Fin een van de vier
intervalstanden:
,
= zeer lang interval
-- = lang interval
--- = gemiddeld interval
---- = kort interval
C: langzaam continu wissen;
D: snel continu wissen;
E: tussenslag (onvergrendelde stand).
61
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 54
L0C0066m
Gebruik de ruitenwissers
niet om opgehoopte
sneeuw of ijs van de voorruit te
verwijderen. In die omstandighe-
den grijpt, als de ruitenwissers te
zwaar worden belast, de beveili-
ging in, die ervoor zorgt dat de
ruitenwissers enkele seconden
worden uitgeschakeld. Als hierna
de werking niet wordt hervat,
wendt u dan tot de Lancia-dealer.
ATTENTIE
In stand Ewerken de ruitenwissers,
zolang u de hendel met de hand in
deze stand houdt. Als u de hendel
loslaat, springt deze direct weer in
stand Aen schakelen de ruitenwis-
sers automatisch uit.
“Intelligente wis-/wasregeling”
Als u de hendel naar het stuur trekt
(onvergrendelde stand), schakelen
de ruitensproeiers in fig. 55.
Als u de hendel langer dan een halve
seconde aangetrokken houdt, dan
worden in een beweging de ruiten-
wissers/-sproeiers ingeschakeld.
Als u de hendel loslaat, maken de
ruitenwissers nog 4 slagen.
REGENSENSOR
(indien aanwezig)
De regensensor bevindt zich achter
de binnenspiegel en staat in contact
met de voorruit. De sensor zorgt
ervoor dat de frequentie van de sla-
gen van de ruitenwissers, tijdens het
wissen met interval, automatisch
wordt aangepast aan de hoeveelheid
regen op de ruit.
De sensor heeft een regelbereik dat
oplopend varieert van uitgeschakel-
de ruitenwissers (geen slagen) als de
ruit droog is, tot ruitenwissers die
ingeschakeld worden op de eerste
continue snelheid (langzaam conti-
nu wissen) bij hevige regen.
Inschakelen fig. 56
Plaats de rechter hendel een stand
naar beneden.
Als de regensensor wordt ingescha-
keld, maken de ruitenwissers 1 slag.
BELANGRIJK Houd de ruit in de
omgeving van de sensor schoon.
Als u draaiknop Fdraait, dan wordt
de gevoeligheid van de regensensor
verhoogd, waardoor de overgang
van stilstaande ruitenwissers bij een
droge ruit, naar de eerste snelheid
(langzaam continu wissen) sneller
plaatsvindt.
62
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 56
L0C0066m
fig. 55
L0C0067m
Als de gevoeligheid van de regensen-
sor verhoogd wordt, maken de rui-
tenwissers 1 slag.
Als de ruitensproeiers worden
bediend bij ingeschakelde regensen-
sor, werkt het normale reinigings-
programma. Daarna hervat de
regensensor zijn normale automati-
sche werking.
ACHTERRUITWISSER/
-SPROEIER fig. 57
Deze werken uitsluitend als de con-
tactsleutel in stand MAR staat.
Als u de hendel naar het dashboard
drukt (onvergrendelde stand), wordt
de achterruitsproeier ingeschakeld
en gaat de achterruitwisser continu
werken.
De werking stopt als de hendel
wordt losgelaten.
Als u draaiknop Avan stand
å
in
stand 'zet, dan werkt de achter-
ruitwisser in de intervalstand.
Uitschakelen fig. 56
Draai de start-/contactsleutel in
stand STOP.
Als de motor daarna wordt gestart
(sleutel in stand MAR), schakelt de
regensensor niet weer in, ook niet als
de hendel in stand Bis blijven staan.
Voor het inschakelen van de regen-
sensor moet de hendel in stand Aof
Cworden gezet en daarna in stand B.
Als de regensensor op deze wijze
opnieuw wordt ingeschakeld, maken
de ruitenwissers ten minste 1 slag,
ook bij een droge ruit.
63
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 57
L0C0068m
De regensensor is in staat om de vol-
gende omstandigheden te herkennen
en zijn gevoeligheid hieraan aan te
passen:
vuil op het controle-oppervlak
(zoutaanslag, vuil enz.);
waterstrepen veroorzaakt door
versleten wisserrubbers;
verschil tussen dag en nacht.
CRUISE-CONTROL
(snelheidsregelaar)
(indien aanwezig)
Dit is een elektronisch hulpmiddel,
waardoor de auto (bij een snelheid
boven 30 km/h) op lange, rechte en
droge trajecten en bij weinig veran-
dering in de rij-omstandigheden
(bijv. snelwegen), met een constante
en vooraf ingestelde snelheid blijft
rijden zonder het gaspedaal te hoe-
ven bedienen. Het gebruik van dit
systeem biedt geen voordelen in
druk verkeer. Gebruik dit systeem
niet in de stad.
SYSTEEM INSCHAKELEN fig. 58
Draai de draaiknop Ain stand ON.
Het systeem kan alleen worden inge-
schakeld in de vierde of vijfde ver-
snelling. Op afdalingen kan bij inge-
schakelde cruise-control de snelheid
iets oplopen ten opzichte van de
opgeslagen snelheid.
Het systeem is ingeschakeld als het
lampje Übrandt en op het instru-
mentenpaneel het betreffende
bericht verschijnt.
SNELHEID OPSLAAN
Ga als volgt te werk:
zet de draaiknop Ain stand ON en
trap het gaspedaal in tot de auto
met de gewenste snelheid rijdt;
plaats de hendel ten minste 3
seconden omhoog (+) en laat ver-
volgens de hendel los: de snelheid
van de auto is opgeslagen en het
gaspedaal kan worden losgelaten.
Indien nodig (bijvoorbeeld bij inha-
len) kan de snelheid simpel ver-
hoogd worden door het intrappen
van het gaspedaal: als u daarna het
gaspedaal loslaat, wordt terugge-
keerd naar de opgeslagen snelheid.
64
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 58
L0C0069m
OPGESLAGEN SNELHEID
OPROEPEN
Als het systeem is uitgeschakeld
door bijvoorbeeld het intrappen van
het rem- of koppelingspedaal, kan
de opgeslagen snelheid op de volgen-
de manier worden opgeroepen:
geef geleidelijk gas, totdat de snel-
heid ongeveer gelijk is aan de
opgeslagen snelheid;
schakel de versnelling in die inge-
schakeld was op het moment van
het opslaan van de snelheid (vier-
de of vijfde versnelling);
druk op de knop RES B.
OPGESLAGEN SNELHEID VER-
HOGEN
Dit kan op twee manieren:
trap het gaspedaal in sla vervol-
gens de nieuwe snelheid op;
of
plaats de hendel omhoog (+).
Telkens als de hendel wordt
bediend, wordt de snelheid iets ver-
hoogd (ongeveer 1 km/h). Als de
hendel omhoog wordt gehouden,
verandert de snelheid traploos.
OPGESLAGEN SNELHEID VER-
LAGEN
Dit kan op twee manieren:
schakel het systeem uit en sla ver-
volgens de nieuwe snelheid op;
of
plaats de hendel omlaag () totdat
de nieuwe snelheid is bereikt die
automatisch wordt opgeslagen.
Telkens als de hendel wordt
bediend, wordt de snelheid iets ver-
laagd (ongeveer 1 km/h). Als de
hendel omlaag wordt gehouden, ver-
andert de snelheid traploos.
SYSTEEM UITSCHAKELEN
Zet de draaiknop Ain stand OFF of
de start-/contactsleutel in stand
STOP. Het systeem schakelt in de
volgende gevallen automatisch uit:
als het rem- of koppelingspedaal
wordt ingetrapt;
als de ESP (indien aanwezig)
ingrijpt.
65
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Als de cruise-control tij-
dens het rijden is inge-
schakeld, zet dan nooit de ver-
snellingspook in de vrijstand.
ATTENTIE
Bij een storing of een
afwijkende werking van
de cruise-control, moet de draai-
knop A in stand OFF worden
gezet. Laat het systeem, na con-
trole van de zekering, door de
Lancia-dealer controleren.
ATTENTIE
PLAFONDVER-
LICHTING
Zonneklepverlichting fig. 59
Druk op de knop Avoor het in-/uit-
schakelen van de zonneklepverlich-
ting aan bestuurderszijde en druk op
de knop Cvoor het in-/uitschakelen
van de zonneklepverlichting aan
passagierszijde.
Als de contactsleutel in stand STOP
staat of is uitgenomen, blijft de ver-
lichting nog ongeveer 15 minuten
ingeschakeld.
Plafondverlichting in het midden
Het lampje gaat automatisch bran-
den als u een portier opent en dooft
als het betreffende portier wordt
gesloten, na ongeveer 10 seconden.
Als het portier geopend blijft, scha-
kelt het plafondlampje na ongeveer
3 minuten uit.
De plafondverlichting in het midden
kan ook worden in-/uitgeschakeld
door op de knop Bte drukken.
Het inschakelen/doven van de ver-
lichting gaat geleidelijk.
Na het inschakelen door het indruk-
ken van de knop B, blijft de verlich-
ting, als de contactsleutel in stand
STOP staat of uit het contactslot is
genomen, nog 15 minuten ingescha-
keld.
BEDIENINGS-
ORGANEN
WAARSCHUWINGSKNIPPER-
LICHTEN fig. 60
Druk op de schakelaar A, ongeacht de
stand van de contactsleutel.
Als het systeem is ingeschakeld, knip-
pert het lampje in de schakelaar.
Gelijktijdig gaan op het instrumenten-
paneel de controlelampjes
F
en
D
branden.
Druk voor uitschakeling nogmaals op
de schakelaar.
MISTLAMPEN VOOR
(indien aanwezig) fig. 61
Druk bij ingeschakelde buitenverlich-
ting op knop
5
.
Op het instrumentenpaneel gaat het
controlelampje
5
branden.
Druk voor uitschakeling nogmaals
op de knop.
66
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 59
L0C0015m
Het gebruik van de waar-
schuwingsknipperlichten
is afhankelijk van de wetgeving
van het land waarin u zich
bevindt. Houdt u aan de voor-
schriften.
ATTENTIE
fig. 61
L0C0229m
fig. 60
Y
L0C0228m
BRANDSTOFNOODSCHAKE-
LAAR fig. 62
Deze veiligheidsschakelaar bevindt
zich onder het dashboard naast de
portierstijl aan passagierszijde. Om
de schakelaar te bereiken, moet u de
bekleding verplaatsen. De schake-
laar springt omhoog bij een ongeval,
waardoor de toevoer van brandstof
wordt gestopt en de motor afslaat.
Als de brandstofnoodschakelaar is
ingeschakeld, brandt het lampje è
op het instrumentenpaneel en ver-
schijnt er een bericht op het display
(zie het hoofdstuk “Lampjes en
berichten”).
Controleer de auto zorgvuldig op
brandstoflekkage, bijvoorbeeld in de
motorruimte, onder de auto of in de
nabijheid van de brandstoftank.
67
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
MISTACHTERLICHT fig. 61
Druk op knop
4
voor inschakeling
van het mistachterlicht. Het mist-
achterlicht werkt alleen als het dim-
licht is ingeschakeld.
Op het instrumentenpaneel gaat het
controlelampje
4
branden.
Druk voor uitschakeling nogmaals
op de knop.
fig. 62
L0C0046m
fig. 63
L0C0251m
fig. 64
L0C0230m
Als u geen brandstoflekkage waar-
neemt en de auto kan nog verder rij-
den, druk dan op de knop Aom de
brandstoftoevoer weer te herstellen en
de verlichting weer in te schakelen.
Draai na een ongeval de contactsleu-
tel in stand STOP om te voorkomen
dat de accu ontlaadt.
INTERIEURUIT-
RUSTING
DASHBOARDKASTJE fig. 63
Trek de handgreep in de richting
van de pijl om het dashboardkastje
te openen.
BEKERHOUDER – BLIKJES-
HOUDER fig. 64
Deze zijn in de tunnelconsole
geplaatst.
PASJES/KAARTHOUDER
Op de tunnelconsole bevinden zich
uitsparingen voor het bewaren van
telefoonkaarten, pasjes/credit-cards
of tolkaarten.
STEKKERDOOS (12V)
Deze bevindt zich op de tunnelcon-
sole en werkt alleen als de contact-
sleutel in stand MAR staat. Als de
auto is uitgerust met de rokerskit,
dan is de stekkerdoos vervangen
door een aansteker.
68
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Als u na een ongeval een
brandstoflucht ruikt of
merkt dat het brandstofsysteem
lekt, druk dan de schakelaar niet
weer terug, zodat brand wordt
voorkomen.
ATTENTIE
ASBAK (indien aanwezig)
De asbak bestaat uit een uitneem-
baar kunststof houder met een veer-
opening. De asbak kan in de
beker/blikjeshouders geplaatst wor-
den op de tunnelconsole.
BELANGRIJK Gebruik de asbak
niet als prullenbak: papiertjes en
dergelijke kunnen door peuken in
brand raken.
ZONNEKLEPPEN fig. 65
De zonnekleppen zitten aan beide
zijden naast de binnenspiegel. Ze
kunnen voor de voorruit of voor de
zijruit worden gedraaid.
De zonneklep aan de bestuurders-
en de passagierszijde hebben een
spiegeltje op de achterzijde.
Om het spiegeltje aan de bestuur-
derszijde te gebruiken, moet het
schuifklepje Aworden geopend.
69
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 65
L0C0017m
AANSTEKER (indien aanwezig)
Deze is in de tunnelconsole geplaatst
naast de handrem.
Druk voor het inschakelen van de
aansteker de betreffende knop in, als
de contactsleutel in stand MAR
staat.
Na ongeveer 15 seconden springt de
knop in de beginstand en is de aan-
steker klaar voor gebruik.
BELANGRIJK Controleer altijd of
de aansteker na het indrukken ook
uitschakelt.
BELANGRIJK De aansteker wordt
erg heet. Gebruik de aansteker voor-
zichtig en voorkom dat hij gebruikt
wordt door kinderen: risico op brand
en/of brandwonden.
OPENDAK (indien
aanwezig)
Het opendak met grote ruit “skydo-
me” bestaat uit 2 ruitpanelen, een
vast paneel en een beweegbaar
paneel. De panelen zijn voorzien van
een zonnescherm dat met de hand in
twee standen kan worden gezet
(geopend/gesloten). Het opendak
kan uitsluitend bediend worden als
de contactsleutel in stand MAR
staat. Met de knoppen Aen B-fig.
66 bij het plafondlampje in het mid-
den, kunt u het dak openen/sluiten.
Automatisch openen:
Als u knop Alanger dan 1 seconde
indrukt, opent het ruitpaneel voor
automatisch in “kantelstand”. Druk
nogmaals langer dan 1 seconde op
knop Aom het paneel geheel te ope-
nen. Na het eerste commando voor
het openen, kan het paneel in een
tussenliggende stand worden gezet
door opnieuw op knop Ate drukken.
Automatisch sluiten
Als het dak in geheel opende stand
staat en u drukt langer dan 1 secon-
de op knop B, dan komt het ruitpa-
neel voor automatisch in “kantel-
stand”. Druk nogmaals langer dan 1
seconde op knop Bom het paneel
geheel te sluiten. Na het eerste com-
mando voor het sluiten, kan het
paneel in een tussenliggende stand
worden gezet door opnieuw op knop
Bte drukken.
Openen/sluiten met de hand
Als u korter dan 1 seconde op knop A
of Bdrukt, opent/sluit het paneel
zolang de knop wordt ingedrukt. De
beweging stopt als u de knop loslaat.
Op deze manier kunt u het dak in een
tussenliggende stand zetten.
ANTI-LETSELFUNCTIE
Het opendak is voorzien van een
anti-letselfunctie. Sensoren in de
ruitrubbers kunnen een eventueel
obstakel waarnemen als de ruit sluit.
In dat geval onderbreekt het systeem
de ruitbeweging en wordt de ruit
onmiddellijk geopend.
70
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 66
L0C0176m
INITIALISATIEPROCEDURE
Als de accu losgekoppeld is geweest
of als een zekering is doorgebrand,
moet de werking van het opendak
opnieuw ingesteld worden.
Ga als volgt te werk:
druk de knop B-fig. 66 in de
sluitstand;
houd de knop ingedrukt totdat
het dak stapsgewijs geheel is
gesloten;
wacht nadat het dak geheel geslo-
ten is, tot de elektrische motor van
het dak uitschakelt.
Verwijder altijd de contactsleutel uit
het contactslot als u de auto verlaat,
om te voorkomen dat het opendak
per ongeluk in beweging wordt
gebracht en zo gevaar kan opleveren
voor de achtergebleven passagiers:
onzorgvuldig gebruik van het open-
dak kan gevaarlijk zijn. Controleer
voor en tijdens de bediening van de
schakelaar altijd of de passagiers
niet verwond kunnen worden door
de beweging van het opendak zelf of
door in beweging gebrachte voor-
werpen.
ELEKTRISCHE
RUITBEDIENING
BELANGRIJK Als de contactsleutel
in stand STOP staat of is uitgeno-
men, dan kunnen de ruiten nog
ongeveer 2 minuten worden
bediend. Het systeem wordt echter
onmiddellijk uitgeschakeld als een
van de portieren wordt geopend.
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 69
In de armsteun van het portier aan
bestuurderszijde zijn de twee bedie-
ningsschakelaars gemonteerd waar-
mee u, als de contactsleutel in stand
MAR staat, de zijruiten bedient:
Aopenen/sluiten zijruit linksvoor;
Bopenen/sluiten zijruit rechtsvoor.
Als u (bij bepaalde uitvoeringen) de
schakelaar Aaan bestuurderszijde
langer dan een halve seconde inge-
drukt houdt, gaat de ruit verder
automatisch open of dicht: De bewe-
ging stopt als de ruit aan het einde
van zijn slag is of als u nogmaals op
de schakelaar drukt.
In de armsteun van het portier aan
de passagierszijde zit een drukscha-
kelaar om aan die zijde de ruit te
bedienen fig. 70.
72
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 69
L0C0019m
Onzorgvuldig gebruik van
de elektrische ruitbedie-
ning kan gevaarlijk zijn.
Controleer voor en tijdens het
bedienen van de ruit altijd of de
passagiers niet kunnen worden
verwond door de bewegende rui-
ten, hetzij direct door contact met
de ruit, hetzij door voorwerpen die
door de ruit worden meegesleept
of geraakt. Verwijder altijd de
sleutel uit het contactslot als u de
auto verlaat om te voorkomen dat
een onverwachtse inschakeling
van de elektrische ruitbediening
gevaar oplevert voor de achterge-
bleven passagiers.
ATTENTIE
fig. 70
L0C0019m
ACHTERKLEP IN GEVAL VAN
NOOD OPENEN fig. 73
Om de achterklep vanuit het interi-
eur te openen (bij een lege accu of
bij een storing in het elektrische sys-
teem van de achterklep zelf), moet
als volgt te werk worden gegaan (zie
“Bagageruimte vergroten” in dit
hoofdstuk):
– verwijder de hoofdsteunen achter;
– klap de zittingen van de achter-
bank om:
– klap de rugleuningen naar voren;
– voor het mechanisch ontgrendelen
van de achterklep, moet u in de
bagageruimte dop Averwijderen en
het hendeltje Bbedienen.
HOEDENPLANK
VERWIJDEREN fig. 74-75
Als u de hoedenplank wilt verwijde-
ren om de bagageruimte te vergro-
ten, ga dan als volgt te werk:
haak de twee trekkoorden (een
per zijde) los uit de bevestigings-
pennen B;
trek de hoedenplank naar buiten
door de pennen Cuit de zittingen
te verwijderen.
74
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 73
A
B
L0C0180m
fig. 74
L0C0103m
fig. 75
L0C0104m
Naderhand aangebrachte
voorwerpen op de hoeden-
plank of de achterklep
(luidsprekers, spoiler enz.)
kunnen, behalve wanneer de auto
hierop is voorbereid, de juiste wer-
king van de gasveren verhinderen.
Bij het gebruik van de
bagageruimte mag het
maximum laadvermogen van de
auto nooit overschreden worden
(zie het hoofdstuk “Technische
gegevens”). Controleer bovendien
of de bagageruimte goed geladen
is, om te voorkomen dat een voor-
werp bij bruusk remmen naar
voren schiet en letsel veroorzaakt.
ATTENTIE
Rijd niet met voorwerpen
op de hoedenplank: bij een
ongeval of bruusk remmen kunnen
ze de passagiers verwonden.
ATTENTIE
fig. 76
L0C0028m
BAGAGERUIMTE VERGROTEN
(uitvoeringen met ondeelbare
achterbank) fig. 76
Gedeeltelijke vergroting
Trek hendel Aomhoog (vanuit het
interieur) of trek aan de lip in het
midden van de bagageruimte en
plaats de bank naar voren.
Maximale vergroting
Verwijder de hoedenplank zoals
hiervoor beschreven;
Trek hendel Aomhoog of trek aan
de lip in het midden van de baga-
geruimte en zet de bank geheel
naar achteren;
Til de zitting aan de voorzijde (1)
omhoog (zoals afgebeeld) en klap
de zitting aan de achterzijde (2)
naar voren.
Trek hendel Bomhoog om de rug-
leuning te ontgrendelen;
Klap de rugleuning iets naar
voren en verwijder de hoofdsteu-
nen van de achterbank (indien
aanwezig).
Klap de rugleuning neer.
75
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 77
L0C0184m
Achterbank terugzetten
Voer de beschreven handelingen in
omgekeerde volgorde uit. Controleer of
de gordels in de sluitingen aan de zij-
kant zitten ( zoals afgebeeld in fig. 77)
voordat u de zitting terugklapt, zodat
ze altijd bereikbaar zijn.
Voor het terugplaatsen van de zit-
ting moet de achterzijde eerst onder
de rugleuning worden geschoven en
vervolgens de voorzijde worden aan-
gedrukt.
BELANGRIJK Als de auto is uitge-
rust met Isofix-bevestigingen (zie
paragraaf “Montagevoorbereiding
voor Isofix-kinderzitjes” in het
hoofdstuk “Veiligheid”), let er dan
bij het terugplaatsen van de zitting
op dat deze onder deze bevestigin-
gen wordt geschoven.
BAGAGERUIMTE VERGROTEN
(uitvoeringen met deelbare ach-
terbank) fig. 78-79-80
Gedeeltelijke vergroting
Trek hendel Aomhoog (vanuit het
interieur) of trek aan de lip in het
midden van de bagageruimte en
plaats de bank naar voren.
Maximale vergroting
Verwijder de hoedenplank zoals
hiervoor beschreven;
Trek hendel Aomhoog of trek aan
de lip in het midden van de baga-
geruimte en zet de bank geheel
naar achteren;
Til het deel van de zitting dat u
wilt neerklappen, aan de voorzij-
de (1) omhoog, en klap de zitting
aan de achterzijde (2) naar voren;
klap beide zittingen naar voren
als u de rugleuning geheel wilt
neerklappen.
Trek hendel Bof Comhoog of
trek aan de lippen aan de zijkant
Dof Ein de bagageruimte om het
deel van de rugleuning dat u wilt
neerklappen, te ontgrendelen;
beide delen als u de rugleuning
geheel wilt neerklappen.
Klap de rugleuning iets naar
voren en verwijder de hoofdsteu-
nen van de achterbank (indien
aanwezig).
Klap een of beide rugleuningen
neer.
Achterbank terugzetten
Voer de beschreven handelingen in
omgekeerde volgorde uit. Controleer
of de gordels in de sluitingen aan de
zijkant zitten (zoals afgebeeld in fig.
80) voordat u de zitting terugklapt,
zodat ze altijd bereikbaar zijn.
Voor het terugplaatsen van de zit-
ting moet de achterzijde eerst onder
de rugleuning worden geschoven en
vervolgens de voorzijde worden aan-
gedrukt.
BELANGRIJK Als de auto is uitge-
rust met Isofix-bevestigingen (zie
paragraaf “Montagevoorbereiding
voor Isofix-kinderzitjes” in het
hoofdstuk “Veiligheid”), let er dan
bij het terugplaatsen van de zitting
op dat deze onder deze bevestigin-
gen wordt geschoven.
76
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 79
L0C0074m
fig. 80
L0C0184m
fig. 78
L0C0056m
MOTORKAP
OPENEN
Ga als volgt te werk:
trek de hendel A-fig. 81 in de
richting van de pijl;
plaats het hendeltje B-fig. 82
naar links zoals aangegeven door
de pijl;
til de motorkap op en trek gelijk-
tijdig de steunstang C-fig. 83 uit
de klem D-fig. 83; steek vervol-
gens het uiteinde van de stang in
de grote opening E-fig. 83 in de
motorkap en druk de stang in de
veilige stand (kleine opening)
zoals afgebeeld.
BELANGRIJK Controleer of de
armen van de ruitenwissers tegen de
ruit aanstaan voordat u de motorkap
optilt.
77
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 81
L0C0021m
fig. 83
L0C0220m
fig. 82
L0C0022m
SLUITEN
Ga als volgt te werk:
houd de motorkap met een hand
omhoog, schuif en trek met de
andere hand de stang C-fig. 83
uit de zitting Den plaats de steun-
stang terug in de klem;
laat de motorkap tot op ongeveer
20 cm van de motorruimte zak-
ken, laat de motorkap vallen en
controleer of de motorkap goed is
gesloten door de motorkap op te
tillen. De motorkap mag niet
alleen door de beveiliging ver-
grendeld zijn. Druk in dit laatste
geval de motorkap niet dicht,
maar til hem opnieuw op en her-
haal de handeling.
BELANGRIJK Controleer altijd of
de motorkap vergrendeld is om te
voorkomen dat deze tijdens het rij-
den opengaat.
fig. 84
L0C0232m
HOOGTEVERSTELLING VAN
DE KOPLAMPEN fig. 84
De stand kan worden geregeld als de
contactsleutel in stand MAR staat en
de dimlichten zijn ingeschakeld. Als
de auto beladen is, helt hij achter-
over. Het gevolg is dat de lichtbun-
del meer naar boven schijnt. De
stand van de koplampen moet nu
worden gecorrigeerd.
Koplampverstelling
De koplampen kunnen worden ver-
steld met de knoppen en op het
dashboard.
Op het display van het instrumenten-
paneel wordt de stand fig. 85 aange-
geven.
Stand 0- een of twee personen op de
voorstoelen.
Stand 1- vijf personen.
Stand 2- vijf personen + bagage.
Stand 3- bestuurder + maximale la-
ding in de bagageruimte.
BELANGRIJK Controleer de afstel-
ling van de koplampen telkens als het
gewicht van de lading wijzigt.
KOPLAMPAFSTELLING IN HET
BUITENLAND
De dimlichten zijn afgesteld voor
gebruik in het land waarin de auto is
verkocht. In landen waar op de
andere weghelft wordt gereden,
moeten, om tegenliggers niet te ver-
blinden, delen van de koplamp wor-
den afgedekt (zie voor de plaats en
afmetingen de afbeeldingen).
Gebruik voor het afplakken ondoor-
zichtige tape.
De afbeeldingen fig. 86-87 hebben
betrekking op de overgang van een
land waar rechts wordt gereden naar
een land waar links wordt gereden.
79
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 85
L0C0078m
fig. 86
L0C0178m
fig. 87
L0C0179m
ABS
Het ABS dat geïntegreerd is in het rem-
systeem, voorkomt dat tijdens het rem-
men de wielen blokkeren, ongeacht de
conditie van het wegdek en de pedaal-
druk, en verhindert daarmee het door-
slippen van een of meerdere wielen.
Hierdoor blijft de auto bestuurbaar,
zelfs bij noodstops.
Het systeem wordt gecompleteerd met
een elektronische remdrukverdeling
EBD (Electronic Braking Force
Distribution), die de remdruk verdeelt
tussen de voor- en achterwielen.
BELANGRIJK Voor een maximale
werking van het remsysteem is een
inrijperiode nodig van ongeveer 500
km: in deze periode moet bruusk, her-
haaldelijk en langdurig remmen wor-
den vermeden.
ACTIVERING VAN HET SYSTEEM
Als het ABS in werking treedt, merkt
de bestuurder dit aan een trilling in het
rempedaal, die gepaard gaat met enig
geluid: dit geeft aan dat het noodzake-
lijk is uw snelheid aan te passen aan de
beschikbare grip op het wegdek.
Als het ABS in werking treedt, dan is
de grip van de banden op het wegdek
beperkt: u dient uw snelheid te verla-
gen en aan te passen aan de beschik-
bare grip.
STORINGSMELDINGEN
Storing in ABS
Bij een storing brandt het waarschu-
wingslampje >op het instrumen-
tenpaneel en verschijnt er een
bericht op het display (zie het hoofd-
stuk “Lampjes en berichten”).
In dat geval blijft het remsysteem
normaal werken, maar zonder de
mogelijkheden van het ABS. Rijd
voorzichtig naar de dichtstbijzijnde
Lancia-dealer om het systeem te
laten controleren.
Storing in EBD
Bij een storing branden de waar-
schuwingslampjes >en xop het
instrumentenpaneel en verschijnt er
een bericht op het display (zie het
hoofdstuk “Lampjes en berichten”).
In dit geval kunnen bij krachtig
remmen de achterwielen vroegtijdig
blokkeren waardoor de auto kan
slippen. Rijd zeer voorzichtig naar
de dichtstbijzijnde Lancia-dealer om
het systeem te laten controleren.
BRAKE ASSIST (remregeling bij
noodstops) (indien aanwezig)
Dit is een onderdeel van het ESP.
Deze functie, die niet kan worden
uitgeschakeld, herkent noodstops
(op basis van de snelheid waarmee
het rempedaal wordt ingetrapt) en
verhoogt de druk in het remcircuit
aanzienlijk.
De Brake Assist wordt uitgeschakeld
bij een storing in het ESP (het lamp-
je ábrandt en er verschijnt een
bericht op het display).
80
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Als het ABS in werking
treedt, dan is de grip van
de banden op het wegdek beperkt:
u dient uw snelheid te verlagen en
aan te passen aan de beschikbare
grip.
ATTENTIE
Het ABS maakt zoveel
mogelijk gebruik van de
beschikbare grip maar kan deze
niet verhogen. Daarom moet op
gladde weggedeelten altijd voor-
zichtig worden gereden en mogen
er geen onnodige risico’s worden
genomen.
ATTENTIE
HILL HOLDER SYSTEEM
(indien aanwezig)
Dit in het ESP geïntegreerde systeem
helpt bij het wegrijden op een helling.
Het systeem schakelt automatisch in
als:
Omhoog: de auto stilstaat op een hel-
ling van meer dan 2% met draaiende
motor, ingetrapt rem- en koppelings-
pedaal en versnellingsbak in vrij of als
een andere versnelling dan de achter-
uit is ingeschakeld.
Omlaag: de auto stilstaat op een hel-
ling van meer dan 2% met draaiende
motor, ingetrapt rem- en koppelings-
pedaal en als de achteruit is ingescha-
keld.
Tijdens het wegrijden zorgt de regel-
eenheid van het ESP ervoor dat de
wielen geremd blijven, totdat het
noodzakelijke motorkoppel is bereikt
om weg te rijden (of maximaal 2
seconden), zodat u meer tijd heeft om
uw rechter voet van het rempedaal
naar het gaspedaal te verplaatsen.
Als u na 2 seconden niet bent wegge-
reden, schakelt het systeem automa-
tisch uit en wordt de remdruk geleide-
lijk verlaagd. Tijdens deze fase kunt u
een typisch geluid horen. Dit geluid
betekent dat de auto ieder moment in
beweging kan komen.
Storingsmeldingen
Bij een eventuele storing gaat het
lampje
*
op het instrumentenpa-
neel branden en verschijnt er een
bericht op het multifunctionele dis-
play (zie het hoofdstuk “Lampjes en
berichten”).
BELANGRIJK Het Hill Holder-sys-
teem is geen handrem; verlaat dus
nooit de auto zonder de handrem
aan te trekken, de motor uit te zet-
ten en de eerste versnelling in te
schakelen.
ASR
(Antislip
Regulation)
(indien aanwezig)
Het ASR-systeem controleert de trek-
kracht van de auto en grijpt automa-
tisch in als een of beide aangedreven
wielen dreigen door te slippen.
Afhankelijk van de oorzaak van het
doorslippen, worden er twee ver-
schillende regelsystemen geacti-
veerd:
als beide aangedreven wielen
doorslippen, vermindert de ASR
het motorvermogen;
als slechts een aangedreven wiel
doorslipt, zorgt de ASR ervoor dat
het wiel automatisch wordt afge-
remd.
Het ASR-systeem is vooral nuttig
onder de volgende omstandigheden:
doorslippen van het binnenste
wiel in bochten, door verandering
van de wielbelasting of door te
felle acceleratie;
te hoog vermogen naar de wielen,
ook in samenhang met de condi-
ties van het wegdek;
acceleratie op gladde wegen en bij
sneeuw en ijzel;
verlies van grip op natte wegge-
deelten (aquaplaning).
82
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Als eventueel met het
noodreservewiel wordt
gereden, dan blijft het ESP inge-
schakeld. Blijf er echter rekening
mee houden dat het noodreserve-
wiel kleiner is dan de normale
band en dat daarom de grip lager
is dan bij de andere banden van
de auto.
ATTENTIE
Voor de juiste werking
van het ESP is het nood-
zakelijk dat de banden van alle
wielen van hetzelfde merk en type
zijn. De banden moeten in perfec-
te conditie zijn en de voorgeschre-
ven afmetingen hebben.
ATTENTIE
IN-/UITSCHAKELING VAN HET
SYSTEEM fig. 88
Het ASR-systeem schakelt automa-
tisch in als de motor wordt gestart.
De in-/uitschakeling van het sys-
teem wordt aangegeven door het
verschijnen van een bericht op het
display (zie het hoofdstuk “Lampjes
en berichten”).
Tijdens het rijden kan het ASR-sys-
teem worden uitgeschakeld en ver-
volgens weer ingeschakeld door de
schakelaar Aop de middenconsole
in te drukken.
Als het systeem is uitgeschakeld dan
brandt het lampje op de schakelaar.
Als het ASR-systeem tijdens het rij-
den wordt uitgeschakeld, schakelt
het automatisch weer in als de auto
opnieuw wordt gestart.
Schakel het ASR-systeem uit als u
met sneeuwkettingen rijdt: onder
deze omstandigheden levert het
doorslaan van de aangedreven wie-
len juist meer trekkracht op.
83
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 88
L0C0233m
De prestaties van het sys-
teem mogen de bestuurder
er niet toe verleiden onnodige en
onverantwoorde risico’s te nemen.
De rijstijl moet altijd zijn aange-
past aan het wegdek, het zicht en
het verkeer. De verantwoordelijk-
heid voor de verkeersveiligheid
ligt altijd en overal bij de
bestuurder van de auto.
ATTENTIE
Voor de juiste werking
van de ASR is het nood-
zakelijk dat de banden van alle
wielen van hetzelfde merk en type
zijn. De banden moeten in perfec-
te conditie en altijd van het voor-
geschreven type, merk en afme-
tingen zijn.
ATTENTIE
EOBD-SYSTEEM
Met het EOBD-systeem (European
On Board Diagnosis) kan een door-
lopende diagnose worden uitgevoerd
op die componenten op de auto die
van invloed zijn op de emissie.
Bovendien meldt het systeem, door
het branden van het lampje Uop
het instrumentenpaneel en het ver-
schijnen van een bericht op het dis-
play (zie het hoofdstuk “Lampjes en
berichten”) dat de betreffende com-
ponenten defect zijn.
Het doel is:
de werking van het systeem con-
troleren;
signaleren wanneer door een sto-
ring de emissies boven de wette-
lijk vastgestelde drempelwaarde
uitkomen;
signaleren wanneer het noodzake-
lijk is defecte componenten te ver-
vangen.
Het systeem beschikt verder nog
over een diagnosestekker die het
mogelijk maakt, na het aansluiten
van speciale apparatuur, de door de
regeleenheid opgeslagen storingsco-
des en de specifieke parameters voor
de diagnose en werking van de
motor te lezen. Deze controle kan
ook worden uitgevoerd door de ver-
keerspolitie.
BOSE HIFI-AUDIO-
SYSTEEM
(indien aanwezig)
Het BOSE hifi-systeem is speciaal
ontwikkeld om de beste akoestische
prestaties te leveren en een concert
levensecht te laten klinken op iedere
plaats in het interieur.
Eén van de belangrijke kenmerken
van het systeem is de kristalheldere
weergave van de hoge tonen en de
volle en rijke bassen, waardoor een
betere weergave ontstaat dan bij de
Loudness-functie. Bovendien wor-
den de klanken in het gehele interi-
eur weergegeven, waardoor de inzit-
tenden het gevoel van ruimtelijkheid
krijgen zoals bij het beluisteren van
levende muziek.
De componenten van het systeem zijn
onder licentie gefabriceerd en ont-
wikkeld met de meest geavanceerde
technologie. De bediening van de
autoradio is echter eenvoudig, zodat
ook minder ervaren mensen het sys-
teem op de beste manier kunnen
gebruiken.
BELANGRIJK Na het verhelpen van
de storing moet de Lancia-dealer
voor een complete controle van het
systeem, tests uitvoeren op een test-
bank en, zo nodig, een proefrit
maken die eventueel een langere
afstand kan omvatten.
AUTORADIO
(indien aanwezig)
Als de auto niet is uitgerust met de
inbouwvoorbereiding autoradio,
beschikt u op het dashboard en in de
portieren over een aantal opberg-
vakken, die de functionaliteit van
het interieur vergroten.
Raadpleeg voor de werking van de
autoradio met CD- of MP3 CD-spe-
ler (indien aanwezig) het supple-
ment dat bij dit instructieboekje is
geleverd.
TECHNISCHE GEGEVENS
Het systeem bestaat uit:
2 tweeter luidsprekers met elk een
piekvermogen van 30W;
2 mid-woofer luidsprekers voor
met een diameter van 165 mm en
met elk een piekvermogen van
30W;
2 full-range luidsprekers achter
met een diameter van 165 mm en
met elk een piekvermogen van
30W.
84
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Als u de contactsleutel in
stand MAR draait en het
lampje Ugaat niet bran-
den of het gaat branden of
knipperen tijdens het rijden (er
verschijnt ook een bericht op het
display), wendt u dan zo snel
mogelijk tot de Lancia-dealer. De
werking van het lampje Ukan
worden gecontroleerd met behulp
van speciale apparatuur van de
verkeerspolitie. Houdt u aan de
wetgeving van het land waarin u
rijdt.
TECHNISCHE GEGEVENS
Het systeem bestaat uit:
Breedbandluidsprekers met een
diameter van 165 mm met
coaxiale tweeter van 50 mm, inge-
bouwd in de voorportieren.
Mid-woofer luidsprekers met een
diameter van 150 mm, inge-
bouwd in de panelen achter, voor
een optimale weergave van fre-
quenties in het middelste en lage
bereik.
Een sub-woofer-box, type Bass-
reflex, in de bagageruimte, die een
woofer bevat met een diameter
van 130 mm en een dubbele
spoel.
Een versterker met uitgangsver-
mogen uit 6 gescheiden kanalen,
op de carrosserie geplaatst achter
de sub-woofer-box, voor het aan-
sturen van alle luidsprekers in de
auto.
EXTRA
ACCESSOIRES
Als u na aanschaf van uw auto
accessoires wilt monteren die con-
stante voeding nodig hebben (auto-
radio, anti-diefstalsatellietbewaking
enz.), of accessoires die de elektri-
sche installatie zwaar belasten,
wendt u dan tot de Lancia-dealer.
Deze kan u de meest geschikte
installaties aanraden uit het Lancia
Lineaccessori-programma en con-
troleren of de elektrische installatie
van de auto geschikt is voor het
extra stroomverbruik of dat het
noodzakelijk is een accu met een
grotere capaciteit te monteren.
85
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
ELEKTRISCHE/ELEKTRONI-
SCHE SYSTEMEN MONTEREN
De elektrische/elektronische syste-
men die na aankoop van de auto en
binnen de aftersales-service worden
gemonteerd, moeten voorzien zijn
van het merkteken:
Fiat Auto S.p.A. autoriseert de monta-
ge van zendontvangapparatuur op
voorwaarde dat de montagewerk-
zaamheden op de juiste wijze bij een
gespecialiseerd bedrijf worden uitge-
voerd, waarbij de aanwijzingen van de
fabrikant in acht moeten worden geno-
men.
BELANGRIJK Als door de montage van
systemen de kenmerken van de auto
worden gewijzigd, kan het rijbewijs
worden ingenomen door de bevoegde
instanties en eventueel de garantie
komen te vervallen bij defecten die ver-
oorzaakt zijn door de bovengenoemde
modificatie of bij defecten die direct of
indirect daarvan het gevolg zijn.
Fiat Auto S.p.A. is op geen enkele wijze
verantwoordelijk voor schade die het
gevolg is van de installatie van acces-
soires die niet door Fiat Auto S.p.A.
zijn geleverd of aanbevolen en die niet
conform de geleverde instructies zijn
geïnstalleerd.
RADIOZENDAPPARATUUR EN
MOBIELE TELEFOON
Radiozendapparaten (mobiele tele-
foons, 27 mc en dergelijke) mogen
alleen in de auto worden gebruikt
met een aparte antenne aan de bui-
tenkant van de auto.
BELANGRIJK Het gebruik van der-
gelijke apparaten in de auto (zonder
buitenantenne) kan niet alleen
schadelijk zijn voor de gezondheid
van de inzittenden, maar kan ook
storingen in de elektrische systemen
van de auto veroorzaken. Hierdoor
wordt de veiligheid in gevaar
gebracht.
Bovendien wordt de zend- en ont-
vangstkwaliteit aanzienlijk beperkt
door de isolerende eigenschappen
van de carrosserie.
Houdt u bij het gebruik van mobie-
le telefoons (GSM, GPRS, UMTS)
met het officiële keurmerk, strikt
aan de instructies die door de fabri-
kant van de mobiele telefoon zijn
bijgeleverd.
ELEKTRISCHE
STUURBEKRACH-
TIGING “DUAL-
DRIVE”
De auto is uitgerust met de elektri-
sche stuurbekrachtiging “Dual-
drive”. De elektrische stuurbekrach-
tiging werkt alleen als de contact-
sleutel in stand MAR staat en de
motor draait. Met het systeem kan
de bestuurder de hulpkracht voor
het verdraaien van het stuur aanpas-
sen aan de rij-omstandigheden.
IN-/UITSCHAKELEN
(CITY-functie) fig. 89
Druk voor het in-/uitschakelen van
de functie op de knop CITY op het
middelste deel van het dashboard.
Als deze functie wordt ingeschakeld,
verschijnt het opschrift CITY op het
display van het instrumentenpaneel.
Met ingeschakelde CITY-functie
draait het stuur heel licht, waardoor
makkelijker kan worden gepar-
keerd: deze instelling van de stuur-
bekrachtiging is dus zeer geschikt
voor het rijden in de stad.
STORINGSMELDINGEN
Eventuele storingen in het systeem
worden aangegeven door het bran-
den van het lampje gop het instru-
mentenpaneel (op het display ver-
schijnt ook een bericht - zie het
hoofdstuk “Lampjes en berichten”).
Bij een storing in het systeem blijft
de auto mechanisch bestuurbaar.
BELANGRIJK De benodigde stuur-
kracht kan toenemen bij langdurige
parkeermanoeuvres; dit is een nor-
maal verschijnsel om oververhitting
van de motor voor de stuurbekrach-
tiging te voorkomen, in deze situatie
zijn er geen reparaties vereist. Als u
de auto een volgende keer weer
gebruikt, zal de stuurbekrachtiging
weer normaal werken.
86
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 89
L0C0234m
PARKEERSENSOR
(indien aanwezig)
Deze bevindt zich in de achterbum-
per van de auto fig. 90 en attendeert
de bestuurder via een repeterend
geluidssignaal op de aanwezigheid
van obstakels achter de auto.
ACTIVERING
Het sensorsysteem wordt automa-
tisch geactiveerd als de achteruit
wordt ingeschakeld.
Als de afstand tot het obstakel ach-
ter de auto kleiner wordt, neemt de
frequentie van het geluidssignaal
toe.
AKOESTISCH
WAARSCHUWINGSSYSTEEM
Als de achteruit wordt ingeschakeld,
klinkt er automatisch een onderbro-
ken geluidssignaal.
De frequentie van het geluidssig-
naal:
neemt toe als de afstand tot het
obstakel kleiner wordt;
het geluidssignaal klinkt ononder-
broken als de afstand tot het
obstakel minder is dan ongeveer
30 cm en stopt onmiddellijk als de
afstand tot het obstakel groter
wordt;
blijft constant als de afstand tot
het obstakel constant blijft.
Meetbereik
Meetbereik in het midden 120 cm
Meetbereik aan de zijkant 60 cm
Als het sensorsysteem meerdere
obstakels signaleert, dan reageert
het alleen op die obstakels die zich
het dichtst bij de auto bevinden.
STORINGSMELDINGEN
Een storing in de parkeersensor
wordt tijdens het inschakelen van de
achteruit aangegeven door een
geluidssignaal met een duur van 3
seconden.
87
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
fig. 90
L0C0023m
Het is streng verboden om
de-/montagewerkzaam-
heden uit te voeren, waarvoor wij-
zigingen in de stuurinrichting of de
stuurkolom vereist zijn (bijv. bij
montage van een diefstalbeveili-
ging). Hierdoor kunnen de presta-
ties van het systeem, de garantie
en de veiligheid in gevaar worden
gebracht en voldoet de auto niet
meer aan de typegoedkeuring.
ATTENTIE
Zet altijd de motor uit en
verwijder de contactsleu-
tel uit het contactslot, waardoor
het stuurwiel wordt vergrendeld,
voordat er onderhoudswerk-
zaamheden worden uitgevoerd,
vooral als de auto met de wielen
los van de grond staat. Als dit niet
mogelijk is (als de sleutel in stand
MAR moet staan of de motor moet
draaien), moet de hoofdzekering
van de elektrische stuurbekrach-
tiging worden verwijderd.
ATTENTIE
ter en voor zeer lage temperaturen
(bergachtige gebieden) is ontwik-
keld.
Als dieselbrandstof wordt getankt
die niet toereikend is voor de
gebruikstemperatuur, raden wij aan
de dieselbrandstof te mengen met
het vorstbeveiligingsmiddel TUTE-
LA DIESEL ART in de verhouding
die in de gebruiksaanwijzing van het
middel is aangegeven. Doe eerst het
middel in de tank en voeg daarna de
dieselbrandstof toe.
Als de auto lange tijd wordt
gebruikt/stilstaat in bergachtige/
koude gebieden, is het raadzaam
dieselbrandstof te tanken die ter
plaatse beschikbaar is.
In dat geval is het bovendien raad-
zaam een hoeveelheid brandstof in
de tank te houden die groter is dan
50% van de nuttige inhoud.
89
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Tank bij auto’s met die-
selmotor uitsluitend die-
selbrandstof voor motor-
voertuigen die voldoet aan
de Europese specificatie EN590.
Het gebruik van andere producten
of mengsels kan de motor onher-
stelbaar beschadigen en het ver-
vallen van de garantie tot gevolg
hebben. Mocht u onverhoopt een
ander type brandstof tanken, dan
mag de motor niet worden gestart
en moet de brandstoftank worden
afgetapt. Ook als de motor slechts
kort heeft gedraaid, moet naast de
brandstoftank, ook alle brandstof
uit de brandstofleidingen worden
afgetapt.
TANKDOP fig. 91
De tankdop Ais voorzien van een
koord Bdat aan klepje Cvastzit, om
verlies van de dop te voorkomen.
Open eerst klepje Cen draai dan
dop Alos.
Door de hermetische afsluiting van
de tank kan de druk in de tank iets
verhoogd zijn. Het is daarom nor-
maal als u bij het losdraaien van de
tankdop een sissend geluid hoort.
Plaats tijdens het tanken de dop in
de uitsparing op het tankklepje,
zoals afgebeeld in de figuur.
fig. 91
L0C0024m
Kom niet dicht bij de vul-
opening met open vuur of
een brandende sigaret: brandge-
vaar. Houd uw hoofd ook niet
dichtbij de vulopening om te
voorkomen dat u schadelijke
dampen inademt.
ATTENTIE
BESCHERMING
VAN HET MILIEU
De emissiereductiesystemen voor
benzinemotoren zijn:
driewegkatalysator (katalysator);
lambdasondes;
benzinedamp-opvangsysteem.
Laat de motor nooit, ook niet tijdens
testwerkzaamheden, met losgeno-
men bougiekabels draaien.
De emissiereductiesystemen voor
dieselmotoren zijn:
oxidatiekatalysator;
uitlaatgasrecirculatie-systeem
(E.G.R.);
roetfilter (DPF).
90
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
Onder normale bedrijfs-
omstandigheden bereikt
de katalysator hoge temperatu-
ren. Parkeer daarom niet boven
brandbare materialen (gras,
droge bladeren, dennennaalden
enz.): brandgevaar.
ATTENTIE
DPF-ROETFILTER (Diesel Parti-
culate Filter) (1.3 Multijet 90 pk)
Het DPF-roetfilter (Diesel Particulate
Filter) is een mechanisch filter in het
uitlaatsysteem dat de partikels in het
uitlaatgas van dieselmotoren opvangt.
Het filter vangt bijna de totale hoe-
veelheid roetdeeltjes op, waardoor
voldaan wordt aan de huidige/toe-
komstige wettelijke normen. Tijdens
het normale gebruik van de auto regis-
treert de inspuitregeleenheid een aan-
tal gegevens met betrekking tot het
gebruik (gebruiksduur, type traject,
bereikte temperatuur enz.) en bere-
kent de hoeveelheid verzameld roet in
het filter. Het filter verzamelt de roet-
deeltjes en moet periodiek worden
geregenereerd (schoongemaakt) door
de roetdeeltjes te verbranden. De
regeneratieprocedure wordt geregeld
door de regeleenheid van de motor op
basis van de hoeveelheid opgevangen
roetdeeltjes en de bedrijfsomstandig-
heden van de auto.
Tijdens de regeneratie kan het volgen-
de worden waargenomen: een beperk-
te toerentalverhoging, inschakeling
van de elektroventilator, een beperkte
toename van de rook uit de uitlaat en
een hogere temperatuur bij de uitlaat.
Dit zijn geen storingen en deze situatie
heeft geen invloed op het milieu of het
gedrag van de auto. Als het betreffen-
de bericht op het display verschijnt,
zie dan de paragraaf “Lampjes en
berichten”.
VEILIGHEIDS-
GORDELS
GEBRUIK VAN DE
VEILIGHEIDSGORDELS fig. 1
Ga goed rechtop zitten, steun tegen de
rugleuning en leg dan de gordel om.
Trek de gordel uit en maak de gor-
del vast door de gesp Ain de sluiting
Bte drukken, totdat hij hoorbaar
blokkeert.
Als tijdens het uittrekken van de
gordel de rolautomaat blokkeert,
laat dan de gordel een stukje terug-
lopen en trek de gordel vervolgens
weer geleidelijk uit.
Druk, om de gordel los te maken, op
de knop C. Begeleid de gordel tijdens
het teruglopen om te voorkomen dat
de gordelband draait.
Via de rolautomaat wordt de lengte
van de gordel automatisch aange-
past aan het postuur van de drager,
waarbij voldoende bewegingsruimte
overblijft.
Als de auto op een steile helling
staat, kan de rolautomaat blokke-
ren; dit is een normaal verschijnsel.
Bovendien blokkeert de rolautomaat
als u de gordel snel uittrekt. Hij
blokkeert ook bij hard remmen,
botsingen en bij hoge snelheden in
bochten.
De zijzitplaatsen van de achterbank
zijn voorzien van driepuntsveilig-
heidsgordels met rolautomaat. Als
optional (alleen bij uitvoeringen met
5 zitplaatsen) kan de middelste zit-
plaats achter worden uitgerust met
een driepuntsveiligheidsgordel met
rolautomaat.
BELANGRIJK Bedenk dat achter-
passagiers die geen gordel dragen,
tijdens een ernstig ongeval niet
alleen zelf aan gevaar worden bloot-
gesteld maar ook gevaar opleveren
voor de inzittenden voor.
fig. 1
L0C0038m
92
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
VEILIGHEID
Druk tijdens het rijden
niet op de knop C.
ATTENTIE
SBR-systeem (indien aanwezig)
De auto is uitgerust met het SBR-sys-
teem (Seat Belt Reminder), dat bestaat
uit een akoestisch waarschuwingssys-
teem dat, samen met het knipperende
lampje <op het instrumentenpaneel,
de bestuurder waarschuwt als de vei-
ligheidsgordel niet is omlegd.
Het akoestische signaal kan tijdelijk
(totdat de motor wordt uitgezet) wor-
den uitgeschakeld. Ga hiervoor als
volgt te werk:
maak de veiligheidsgordel aan
bestuurderszijde vast;
draai de contactsleutel in stand
MAR;
wacht langer dan 20 seconden en
maak dan ten minste een van de vei-
ligheidsgordels los.
Voor permanente uitschakeling, dient
u zich tot de Lancia-dealer te wenden.
Het SBR-systeem kan uitsluitend weer
worden ingeschakeld in het setup-
menu (zie de paragraaf “niet omgeleg-
de veiligheidsgordels” in het hoofdstuk
“Lampjes en berichten”).
Bedenk dat achterpassa-
giers die geen gordel dra-
gen, tijdens een ernstig ongeval niet
alleen zelf aan gevaar worden
blootgesteld maar ook gevaar ople-
veren voor de inzittenden voor.
ATTENTIE
Gordel losmaken: druk op de knop
O. Begeleid de gordel tijdens het
teruglopen om te voorkomen dat de
gordelband draait.
Bagageruimte vergroten: haak de
sluiting met de zwarte knop Mlos en
begeleid de gordel tijdens het teruglo-
pen om te voorkomen dat de gordel-
band draait; plaats de gesp Gin het
opbergvak Hin de rolautomaat.
BELANGRIJK Als de veiligheidsgor-
dels achter niet worden gebruikt,
plaats dan de gesp, zoals is afgebeeld
in fig. 2/b.
HOOGTEVERSTELLING VAN
DE VEILIGHEIDSGORDELS
VOOR fig. 3-4
De hoogte van de gordel moet altijd
worden aangepast aan het postuur
van de inzittende.
Zo wordt de kans op letsel bij een
ongeval aanzienlijk verkleind. De
gordel is goed afgesteld als hij over
de schouder halverwege tussen nek
en uiteinde van de schouder ligt,
zoals is afgebeeld.
Druk om de hoogte in te stellen op
de knop Aen schuif de beugel B
omhoog of omlaag.
fig. 3
L0C0096m
fig. 2/b
L0C0263m
93
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
VEILIGHEID
Driepuntsveiligheidsgordel achter
met rolautomaat (bepaalde uit-
voeringen/markten) fig. 2/a
De veiligheidsgordel is uitgerust met
twee sluitingen en twee gespen.
Voor het gebruik van de veiligheids-
gordel moet u de gespen uit de rol-
automaat halen en de gordel voor-
zichtig en rustig uittrekken om te
voorkomen dat de gordelband
draait. Druk vervolgens de gesp Gin
de sluiting Ldie voorzien is van een
zwarte knop M.
Om de gordel om te leggen, moet de
gordel nog iets verder worden uitge-
trokken en de gesp Min de sluiting
Nworden gestoken.
fig. 2/a
L0C0189m
Druk tijdens het rijden
niet op de knop C.
ATTENTIE
Bedenk dat achterpassa-
giers die geen gordel dra-
gen, tijdens een ernstig ongeval
niet alleen zelf aan gevaar wor-
den blootgesteld maar ook gevaar
opleveren voor de inzittenden
voor.
ATTENTIE
BELANGRIJK Als de zitplaatsen weer
in de normale stand staan, moet de
gordel weer gebruiksklaar zijn (zoals
hiervoor beschreven).
GORDELSPANNERS
Voor een nog effectievere bescher-
ming zijn de veiligheidsgordels voor
voorzien van gordelspanners. Dit
systeem wordt bij een heftige fronta-
le botsing door een sensor in werking
gesteld en trekt de gordel enige cen-
timeters aan. Op deze wijze worden
de inzittenden veel beter op hun
plaats gehouden en wordt de voor-
waartse beweging beperkt. Het
blokkeren van de veiligheidsgordel
geeft aan dat de gordelspanner in
werking is geweest; de gordel wordt
niet meer opgerold, ook niet als hij
wordt begeleid.
BELANGRIJK Voor een maximale
bescherming door de gordelspanner
moet de veiligheidsgordel zo worden
omgelegd dat hij goed aansluit op
borst en bekken. Er kan een beetje
rook ontsnappen. Deze rook is niet
schadelijk en duidt niet op brand.
De gordelspanner behoeft geen enkel
onderhoud of smering.
Elke verandering van de oorspron-
kelijke staat zal de doelmatigheid
verminderen.
Als de gordelspanner door extreme
natuurlijke omstandigheden (over-
stromingen, zeestormen) met water
en modder in contact is geweest, dan
moet de spanner worden vervangen.
TREKKRACHTBEGRENZERS
Om de bescherming van de inzitten-
den bij een ongeval te vergroten, zijn
de oprolautomaten van de gordels
voor voorzien van trekkrachtbegren-
zers die tijdens een frontale aanrij-
ding de piekbelasting op de borst en
schouders beperken.
94
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
VEILIGHEID
Werkzaamheden in de buurt
van de gordelspanners,
waarbij stoten, sterke tril-
lingen of verhitting optreden
(maximaal 100°C gedurende ten
hoogste 6 uur), kunnen de gordel-
spanners beschadigen of activeren:
bij die omstandigheden horen niet
trillingen die voortgebracht worden
door een slecht wegdek of door con-
tacten met kleine obstakels zoals
trottoirs. Als er iets aan de gordel-
spanners moet gebeuren, dient u zich
tot een Lancia-dealer te wenden.
De gordelspanner werkt
slechts een maal. Als de
gordelspanners hebben gewerkt,
moet u zich tot de Lancia-dealer
wenden om ze te laten vervangen. De
geldigheid van het systeem staat
vermeld op een plaatje dat zich in
het dashboardkastje bevindt: Laat
na het verstrijken van deze termijn
het systeem door de Lancia-dealer
vervangen.
ATTENTIE
fig. 4
De veiligheidsgordels
mogen alleen worden ver-
steld als de auto stilstaat.
ATTENTIE
Controleer na het afstel-
len altijd of de beugel
vergrendeld is in een van de vaste
standen. Laat hiervoor de knop
los en trek de gordel omlaag,
zodat het bevestigingspunt blok-
keert, als dit nog niet heeft
plaatsgevonden.
ATTENTIE
L0C0039m
fig. 5
L0C0041m
ALGEMENE OPMERKINGEN
OVER HET GEBRUIK VAN
VEILIGHEIDSGORDELS
De bestuurder is verplicht zich te
houden aan de wettelijke voorschrif-
ten met betrekking tot het verplichte
gebruik van de veiligheidsgordels (en
de inzittenden erop attent te maken).
Leg de veiligheidsgordel altijd om
voordat u vertrekt.
Ook vrouwen die in verwachting zijn
moeten een gordel dragen: ook voor
hen (zowel voor de aanstaande moe-
der als het kind) is de kans op letsel
bij een ernstig ongeval kleiner als ze
een gordel dragen.
Uiteraard moeten zwangere vrouwen
het onderste deel van de gordel meer
naar beneden omleggen, zodat de
gordel over het bekken en onder de
buik langs loopt (zoals in fig. 5 is
aangegeven).
fig. 6
L0C0039m
fig. 7
L0C0040m
95
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
VEILIGHEID
De gordelband mag nooit
gedraaid zijn. Het diago-
nale gordelgedeelte moet via het
midden van de schouder schuin
over de borst liggen. Het horizon-
tale gordelgedeelte moet over het
bekken en niet over de buik lig-
gen. Gebruik geen voorwerpen
(wasknijpers, klemmen enz.) die
een goed aansluiten van de gordel
op het lichaam verhinderen.
ATTENTIE
Voor maximale veiligheid
moet u de rugleuning
rechtop zetten, tegen de leuning
aan gaan zitten en de gordel goed
laten aansluiten op borst en bek-
ken. Draag altijd veiligheidsgor-
dels zowel voor als achter in de
auto! Rijden zonder veiligheids-
gordels vergroot het risico op ern-
stig letsel of dodelijke afloop bij
een ongeval.
ATTENTIE
Het is streng verboden
onderdelen van de veilig-
heidsgordels of gordelspanners te
demonteren of open te maken.
Werkzaamheden aan de veilig-
heidsgordels en gordelspanners
moeten worden uitgevoerd door
gekwalificeerd personeel. Wendt
u altijd tot de Lancia-dealer.
ATTENTIE
HOE U DE VEILIGHEIDS-
GORDELS IN OPTIMALE STAAT
HOUDT
Zorg dat de gordel goed uitge-
trokken en niet gedraaid is; con-
troleer ook of de oprolautomaat
zonder haperingen werkt.
Vervang de gordels na een onge-
val, ook al zijn ze ogenschijnlijk
niet beschadigd. Vervang de gor-
dels ook als de gordelspanners in
werking zijn geweest.
U kunt de gordels met de hand
wassen met water en een neutrale
zeep. Spoel ze uit en laat ze in de
schaduw drogen. Gebruik geen
bijtende, blekende of kleurende
middelen. Vermijd het gebruik
van alle chemische producten die
het weefsel van de gordel kunnen
aantasten.
Voorkom dat vocht in de oprol-
automaat komt: de werking van
de oprolautomaten is alleen gega-
randeerd, als ze niet nat zijn
geweest.
Vervang de gordels bij tekenen
van slijtage of beschadigingen.
KINDEREN VEILIG
VERVOEREN
Voor optimale bescherming bij een
ongeval moeten alle inzittenden zit-
tend reizen en beschermd worden door
goedgekeurde veiligheidssystemen.
Dit geldt met name voor kinderen.
Dit is een wettelijk voorschrift vol-
gens richtlijn 2003/20/EU in alle
lidstaten van de Europese Unie.
96
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
VEILIGHEID
Als de gordel aan een
zware belasting wordt
blootgesteld (bijvoorbeeld tijdens
een ongeval), dan moet de gordel
samen met de verankeringen,
bevestigingspunten en de gordel-
spanners worden vervangen. Ook
als de schade niet zichtbaar is,
dan kan de gordel toch verzwakt
zijn.
ATTENTIE
Iedere gordel dient slechts
ter bescherming van een
enkel persoon: gebruik de gordel
niet voor een kind dat bij een vol-
wassene op schoot zit, waarbij de
gordel beiden zou moeten
beschermen. Plaats bovendien
geen enkel voorwerp tussen de
gordel en het lichaam van een
inzittende.
ATTENTIE
GROEP 0 en 0+ fig. 8
Kinderen tot 13 kg moeten in zitjes
worden vervoerd die achterstevoren
zijn geplaatst, waardoor het achter-
hoofd wordt gesteund en bij plotseling
remmen de nek niet wordt belast.
Het wiegje moet op zijn plaats worden
gehouden door de veiligheidsgordel en
het kind moet op zijn beurt worden
beschermd door de gordel van het
wiegje zelf.
GROEP 1 fig. 9
Kinderen met een gewicht tussen 9
en 18 kg moeten worden vervoerd in
kinderzitjes met een kussen die naar
voren zijn gekeerd, waarbij de vei-
ligheidsgordel van de auto zowel het
kinderzitje als het kind op zijn plaats
moet houden.
fig. 9
L0C0043m
fig. 10
L0C0044m
fig. 8
L0C0042m
98
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
VEILIGHEID
De afbeelding dient alleen ter illustratie van de bevestiging.
Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies.
De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.
ATTENTIE
Er bestaan kinderzitjes die geschikt zijn voor de gewichtsgroepen 0
en 1. Deze kinderzitjes kunnen worden bevestigd aan de veiligheids-
gordels achter en hebben zelf gordels om het kind te beschermen. Vanwege het
gewicht kan het gevaarlijk zijn als ze verkeerd worden gemonteerd (bijvoor-
beeld als een kussen tussen het kinderzitje en de veiligheidsgordels van de
auto wordt geplaatst). Houdt u voor de montage strikt aan de bijgeleverde
instructies.
ATTENTIE
GROEP 2 fig. 10
Kinderen met een gewicht tussen 15
en 25 kg kunnen direct door de vei-
ligheidsgordels van de auto worden
beschermd. Kinderen moeten zo in
de kinderzitjes worden geplaatst, dat
het diagonale gordelgedeelte schuin
over de borst en niet langs de nek
ligt. Het horizontale gordelgedeelte
moet over het bekken en niet over de
buik van het kind liggen.
De afbeelding dient alleen
ter illustratie van de
bevestiging. Houdt u voor de
montage van het kinderzitje aan
de instructies. De fabrikant is
verplicht deze instructies bij te
leveren.
ATTENTIE
Hieronder zijn de richtlijnen
voor een veilig vervoer van kin-
deren aangegeven. U dient zich
hieraan te houden.
Plaats het kinderzitje bij voorkeur
op een van de zitplaatsen achter
omdat deze plaatsen bij een onge-
val de meeste bescherming bie-
den.
Als de airbag aan passagierszijde
buiten werking wordt gesteld,
moet altijd gecontroleerd worden
of het betreffende gele lampje
Fop het instrumentenpaneel
continu brandt.
Houdt u bij de montage van het
kinderzitje strikt aan de instruc-
ties. De fabrikant is verplicht deze
instructies bij te leveren. Bewaar
de instructies samen met het
instructieboekje in de auto.
Monteer geen gebruikte kinderzit-
jes waarvan de gebruiksaanwij-
zingen ontbreken.
Controleer of de gordels goed zijn
vastgemaakt door aan de gordel-
band te trekken.
Ieder veiligheidssysteem is be-
doeld voor slechts een kind: ver-
voer nooit twee kinderen in een
systeem.
Controleer altijd of de gordel niet
langs de nek van het kind loopt.
Zorg er tijdens de rit voor dat het
kind geen afwijkende houding
aanneemt of de gordels losmaakt.
Vervoer kinderen nooit in uw
armen, ook geen pasgeboren kin-
deren. Niemand is sterk genoeg
om ze bij een ongeval vast te hou-
den.
Na een ongeval moet het zitje door
een nieuw exemplaar worden ver-
vangen.
INBOUWVOORBE-
REIDING VOOR
“ISOFIX”-KINDER-
ZITJES
(indien aanwezig)
De auto is voorbereid op de montage
van Isofix-kinderzitjes; een nieuw
gestandaardiseerd Europees systeem
voor het vervoeren van kinderen.
Het Isofix-kinderzitje is er voor drie
gewichtsgroepen: 0, 0+ en 1.
Vanwege het verschillende bevesti-
gingssysteem, moet het kinderzitje
aan de daarvoor bestemde beugels
A-fig. 12 worden bevestigd. Deze
bevinden zich tussen de rugleuning
en zitting van de achterbank.
Bevestig daarna de bovenste riem (in
bovenste vak van het kinderzitje)
aan het bevestigingspunt B-fig. 13
op de rugleuning van de achterbank.
100
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
VEILIGHEID
Monteer absoluut geen
kinderzitje op de voor-
stoel aan de passagierszijde als
deze is uitgerust met een airbag,
omdat kinderen nooit op de voor-
stoel vervoerd mogen worden.
ATTENTIE
Voor het loshaken moet de rugleu-
ning vanuit de verticale stand tot op
de derde stand worden gekanteld.
Er kan ook een mengvorm worden
gekozen, een traditioneel kinderzitje
links en een Isofix-kinderzitje rechts.
Wij herinneren u eraan dat bij het
gebruik van Isofix-kinderzitjes
alleen die kinderzitjes gebruikt kun-
nen worden die speciaal voor deze
auto zijn ontworpen, getest en goed-
gekeurd. MONTAGE VAN ISOFIX-
KINDERZITJE fig. 14
Groep 0 en 0+
Bij kinderen in deze gewichtsgroep
(kinderen met een gewicht tot 13
kg) moet het kinderzitje achterste-
voren zijn gekeerd en moet het kind
door de gordels Dvan het zitje
beschermd worden.
Als het kind groeit en in de
gewichtsgroep 1 komt, moet het
fig. 13
L0C0187m
fig. 12
L0C0166m
fig. 14
L0C0167m
101
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
VEILIGHEID
Monteer het kinderzitje
alleen als de auto stil-
staat. Het kinderzitje is op de
juiste wijze aan de beugels beves-
tigd als u het hoort vergrendelen.
Houdt u in ieder geval aan de
instructies voor de montage, de
demontage en de plaatsing. De
fabrikant van het kinderzitje is
verplicht deze instructies bij te
leveren.
ATTENTIE
kinderzitje in de rijrichting worden
bevestigd.
Ga voor een correcte montage van
het kinderzitje als volgt te werk:
controleer of de ontgrendelhendel
Bin ruststand (ingetrokken)
staat;
zoek de bevestigingsbeugels Aen
plaats vervolgens het kinderzitje
met de bevestigingshaken Cin de
beugels;
duw tegen het kinderzitje totdat
het hoorbaar vergrendelt;
controleer of het kinderzitje goed
vergrendeld is door met kracht te
proberen het kinderzitje te ver-
plaatsen: de ingebouwde beveili-
gingsmechanismen verhinderen
dat slechts een enkele bevesti-
gingshaak is vergrendeld.
Als het Isofix-kinderzitje tegen de
rijrichting in wordt geplaatst, moet
de passagiersstoel voor volledig naar
achteren worden geschoven, zodat
de rugleuning van de stoel en het
kinderzitje elkaar raken.
Groep 1 fig. 15
Ga voor een correcte montage van
het kinderzitje als volgt te werk:
controleer of de ontgrendelhendel
Bin ruststand (ingetrokken)
staat;
zoek de bevestigingsbeugels Aen
plaats vervolgens het kinderzitje
met de bevestigingshaken Cin de
beugels;
duw tegen het kinderzitje totdat
het hoorbaar vergrendelt;
bij kinderzitjes die in de rijrich-
ting worden geplaatst, moet de
bovenste riem (deze bevindt zich
in het bovenste vakje van het kin-
derzitje) aan het bevestigingspunt
Dop de rugleuning van de achter-
bank worden bevestigd;
controleer of het kinderzitje goed
vergrendeld is door met kracht te
proberen het kinderzitje te ver-
plaatsen: de ingebouwde beveili-
gingsmechanismen verhinderen
dat slechts een enkele bevesti-
gingshaak is vergrendeld.
In deze opstelling wordt het kind
ook beschermd door de veiligheids-
gordels van de auto en door de
bovenste gordel: zie de handleiding
van het kinderzitje voor het correct
omleggen van de veiligheidsgordels
van de auto.
fig. 15
L0C0168m
fig. 16
L0C0188m
102
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNI-
SCHE
GEGEVENS
ALFABE-
TISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN
BEDIENING
VEILIGHEID

Produktspecifikationer

Varumärke: Lancia
Kategori: Personbil
Modell: YPSILON 2009
Färg på produkten: Meerkleurig
Förpackningens vikt: - g
Djuppackning: - mm
Förpackningshöjd: - mm
Rekommenderad ålder (max): 16 jaar
Rekommenderad ålder (min): 9 jaar
Hållbarhetscertifikat: Forest Stewardship Council (FSC) Mix
Föreslaget kön: Jongen/meisje
Antal bitar: 329 stuk(s)
Typ produkt: Bouwpakket
EU TSD-varning: Niet geschikt voor kinderen onder de 36 maanden

Behöver du hjälp?

Om du behöver hjälp med Lancia YPSILON 2009 ställ en fråga nedan och andra användare kommer att svara dig




Personbil Lancia Manualer

Personbil Manualer

Nyaste Personbil Manualer